België wacht al acht jaar op nieuwe Ronde-winst: “Kerktorenmentaliteit is verdwenen”
Special Negen jaar geleden, in 2017, schreef Philippe Gilbert – nota bene gehuld in de Belgische driekleur – de Ronde van Vlaanderen op zijn naam. Drie jaar later kwam Wout van Aert nog eens dichtbij en in 2021 stond Greg Van Avermaet als derde op het podium. Sindsdien kwam er geen enkele Belgische man nog in de buurt van een triomf in Vlaanderens Mooiste. Hoe komt dat? We vroegen het aan ex-winnaar Nick Nuyens en ploegleiders Maarten Wynants en Hans De Clercq.
Als je de hele geschiedenis van de Ronde erbij neemt, zwaaien de Belgen natuurlijk nog steeds de plak. In de 109 voorgaande edities was 69 keer een thuisrijder aan het feest. Tot 2012 had je nog steeds iedere twee tot drie jaar een Belgische zege, waar de fans zich aan konden optrekken. Nooit eerder duurde het zo veel edities zonder winnaar uit eigen land.
“De hoofdreden is volgens mij heel simpel”, stelt Nuyens, zelf nog winnaar in 2011, in gesprek met WielerFlits. “Anderen zijn momenteel iets beter en efficiënter. Dat staat los van hun nationaliteit. Mathieu van der Poel en Tadej Pogacar hebben de voorbije zes edities gedomineerd. Dan blijven er alleen kruimels over voor de rest. Ze doen het op pure klasse, in gelijk welke koers waar ze deelnemen.” Of zoals Hans De Clercq het stelt: “Dat zijn mannen die met Eddy Merckx hadden kunnen meerijden in de jaren 70.”
Maar in de generatie van Nuyens had je toch ook die toppers? Bij zijn verrassende zege moest hij het opnemen tegen een uitmuntende Fabian Cancellara. “Ja, maar onder hem en Tom Boonen stonden wel een tiental renners die allemaal konden winnen. Het gebeurde wel eens dat die twee grote kanonnen aangingen en dat er iemand van ons mee was of dat er een paar van ons mee waren. Je zag ook soms het scenario dat één van die twee grote kanonnen er niet bij was.”
“Onder die tien, vijftien namen had je destijds dan nog eens een nieuwe laag. Ik heb de indruk dat die tussenlaag een beetje weg in het huidige peloton”, schetst Nuyens. “Natuurlijk doet Wout van Aert goed mee, net als Mads Pedersen of Filippo Ganna. Ze zijn er op een goede dag dichtbij, maar als je naar de feiten kijkt, moet je vaststellen dat er maar weinig door anderen wordt gewonnen als die twee toppers starten. Dat is heel knap, maar voor de spanning niet altijd goed.”

Nuyens zegeviert in Meerbeke – foto: Fotopersburo Cor Vos
Meer klimmerstypes?
Dat laatste kan ook een gevolg zijn van het feit dat de Ronde van Vlaanderen sinds de verhuis naar Oudenaarde ‘eerlijker’ is geworden. De finale is loodzwaar met zestien hellingen, en dat was misschien minder het geval in de finale met de Muur van Geraardsbergen en de Bosberg, die tot 2011 werd gehanteerd. “Het nieuwe parcours heeft ervoor gezorgd dat de klimmers naar Vlaanderen komen en daar ook een goede kans hebben”, stipt Maarten Wynants, ploegleider bij Visma | Lease a Bike, aan.
“Die zwaarte en vooral de extra hoogtemeters in de finale hebben er voor gezorgd dat er meer internationale, maar ook meer betere renners naar hier komen. Je ziet dat tegenwoordig de E3 Saxo Classic voor bepaalde klassieke renners de limiet is. En dat de Ronde voor hen net té zwaar is geworden.” Nuyens is het daar niet mee eens: “Maar ze gebruiken de hellingen wel optimaal. Pogacar gaat aan op het asfalt voor de Kwaremont. Maar de hellingen zijn net zo lang als vroeger, hoor.”
Flanders Baloise-ploegleider De Clercq zit tussen de twee opinies in. “De Vlaamse hellingen blijven specifieke heuvels met een eigen natuur zoals kasseien en smalle wegen. Die inspanningen van twee tot maximaal drie minuten, dat zijn wel zaken waar wij als Vlamingen in feite mee geboren zijn. Dat mag je dus in geen geval als excuus gebruiken. Maar er is meer talent in het peloton. Misschien is het eerlijker om te kijken hoeveel Belgen de finale rijden dan hoe vaak ze uiteindelijk winnen. Dan zitten we wel nog altijd goed.”
Anderzijds moet Nuyens toegeven dat het parcours nog weinig echte voordelen biedt voor de Belgen. “In de vroegere jaren was parcourskennis misschien een troef, maar dat was in mijn tijd ook al niet meer het geval. We komen niet uit de Middeleeuwen. De voorbereidingen waren toen ook al goed, renners konden online opzoeken over het parcours en verkenningen doen. De voorbije jaren is dat allemaal nog een stapje verder en meer detaillistisch geëvolueerd, dat is wel waar. Maar het speelt eerder een rol als je langer teruggaat.”
Daarnaast kunnen de klimmers de combinatie met grote rondes maken, ook door de technologische evoluties. “In mijn eerste jaar reed ik negentig koersen, op het einde van mijn carrière waren dat er zestig”, zegt Nuyens. “Nu doen de toppers dertig tot veertig koersen en komt Pogacar met twee koersdagen aan de start van de Ronde. Alles wordt meer gemonitord. Toppers zoals hij kunnen preciezer trainen en hun koersen uitpikken. Ze moeten minder keuzes maken. Alles combinaties zijn in principe mogelijk.”

In 2020 had het gekund voor Van Aert – foto: Fotopersburo Cor Vos
Minder goesting?
Heeft dat misschien ook de ‘goesting’ bij de Vlaamse renners weggenomen? In België was jarenlang de droom van jonge jeugdrenners om ooit te schitteren in het Vlaamse werk. Waar in bijvoorbeeld Nederland voor de jeugd de aantrekkingskracht van de Tour de France veel groter was. Wynants ziet een mentaliteitswijziging. “Ik heb het gevoel dat het onder jeugdrenners minder leeft. De kerktorenmentaliteit is verdwenen en de horizon is veel breder. Ik zie en voel minder Flandrien-gevoel bij de jeugd.”
“Het valt me op dat er nu genoeg talenten zijn die dromen om als klimmer of als sprinter te excelleren. Misschien is dat al het effect van Remco Evenepoel, terwijl we tegenwoordig natuurlijk ook diverse goede sprinters in België hebben. Ik denk dat het ideaalbeeld is om een diverse renner te worden. Net zoals Pogacar en Evenepoel, presteren in de grote rondes en ook in de klassiekers.”
Opnieuw moet De Clercq stokken in de wielen steken. “Dat merk ik bij Flanders-Baloise helemaal niet. Integendeel, zelfs. Iedereen is helemaal weg van die koersen. Maar je moet wel over het talent beschikken. Als je het niet in je hebt om de Ronde van Vlaanderen te winnen, mag je nog doen wat je wilt. We hebben de glorietijden gekend met Johan Museeuw en Tom Boonen, daarna zijn er andere mannen gekomen. Er zit nog talent, maar misschien niet altijd van de hoogste categorie.”
Dé kanshebbers
Hallo, Wout van Aert? “Dat is ook een probleem. Wout heeft toch wel zijn dosis pech heeft gehad in de laatste jaren. Daardoor was hij een beetje de man die het niet heeft kunnen waarmaken op het moment dat het wel kon. Hij heeft het in zich. Maar soms is het een kwestie van pech, of zelfs millimeters op de meet, geweest. Toch schrijf ik hem zeker nog niet af. En met hem ook andere Belgische renners in de toekomst.”
Onze drie analisten zijn het erover eens dat Remco Evenepoel bij zijn eerste deelname de man kan worden die de vloek doorbreekt. “Puur door al aan de start te staan gaat hij een impact hebben op de koers”, vindt Nuyens. “Hij is een van de zeldzame coureurs die van heel ver kan aangaan en het toch kan volhouden. Hij is wel minder explosief dan Pogacar, althans op lange klimmen. Maar hij heeft het zeker in zich. Ik twijfel niet.”
Om te reageren moet je ingelogd zijn.