Dimitri Peyskens (27) breekt door: “Niet voor iedereen zo makkelijk als Benoot”

Dimitri Peyskens (27) breekt door: “Niet voor iedereen zo makkelijk als Benoot”

Foto: Cor Vos

vrijdag 26 juli 2019 om 09:00
Interview

Dimitri Peyskens is misschien wel een van de Belgische ontdekkingen van dit seizoen. De 27-jarige renner van Wallonie-Bruxelles blonk dit seizoen onder andere uit in het Circuit de la Sarthe, de Brabantse Pijl, de Ster ZLM Toer en de Ronde van Oostenrijk. Op die manier kwam hij op de radar van bondscoach Rik Verbrugge om af te reizen naar Tokio voor het Test Event voor de wegrit van de Olympische Spelen van volgend jaar. En ook daar presteerde hij boven verwachting. Hoog tijd voor een babbel met WielerFlits dus.

Peyskens is amper enkele dagen terug van Tokio als hij ons te woord staat. Voor de renner uit Hoeilaart, die als prof nog nooit het truitje van de nationale selectie mocht aantrekken, was dat uiteraard een speciale ervaring. “Het is en blijft een vertegenwoordiging van je land en dat is sowieso speciaal. Natuurlijk, de renners die goed bergop kunnen zijn in België niet dik gezaaid, maar toch was het voor mij een enorme erkenning dat ik mee mocht naar Tokio. Het feit dat Rik Verbrugghe aan mij gedacht heeft, zegt mij: ‘ik heb gezien dat je goed bezig bent en ik geloof in uw capaciteiten als klimmer.’”

De Vlaams-Brabander bedankte bondscoach Rik Verbrugghe met een zevende plaats, twee plekjes achter Loïc Vliegen. “Dat resultaat was in eerste instantie geen topprioriteit. Ik ben vooral blij dat we als ploeg veel hebben kunnen bijleren over de accommodatie, het parcours op zich, het rijden in die temperaturen en niet te vergeten de luchtvochtigheid. Daar wilde ik graag mijn steentje aan bijdragen. Maar je probeert er natuurlijk altijd het maximale uit te halen. Ik zat in de laatste tien kilometer tegen de krampen aan en heb dan maar besloten om de sprint voor plek vier voor Loïc Vliegen aan te trekken.”

Studies op de eerste plaats
Opvallend: Peyskens is 27 maar is amper aan zijn derde seizoen als prof bezig, wat wil zeggen dat hij nog een enorme progressiemarge voor zich zou moeten hebben. Waarom maakte hij eigenlijk pas zo laat de stap richting het profpeloton? “Vooral omdat ik eerst mijn universitaire studies Lichamelijke Opvoeding aan de VUB wilde afwerken. Ik heb altijd mijn studies op één gezet door elk jaar veertig studiepunten (in plaats van de gebruikelijke zestig) op te nemen. Zo kon ik het studeren met de koers combineren. Ik kon misschien niet altijd evenveel trainen als mijn concurrenten, maar dat is nu wel het geval.”

Was het dan geen optie om, zoals bijvoorbeeld een Tiesj Benoot, die studies met het profbestaan te combineren? “Voor mij is dat moeilijker dan voor Tiesj. Ik heb nog met Tiesj samen gereden bij de jeugd. Hij kwam als eerstejaarsbelofte als een komeet binnen. Dat was direct met de grote deur in huis vallen, waardoor hij na één jaar al wist dat hij een goedbetaalde prof zou worden. Dan is het natuurlijk makkelijker om te beslissen: ik ga vol voor de koers en ik spreid mijn studies op een iets langere termijn. Ik had die zekerheid om prof te worden niet en wilde sowieso eerst iets achter de hand hebben.”

In de buurt van Alaphilippe
Peyskens liep op die manier natuurlijk een serieuze achterstand op in vergelijking met zijn leeftijdsgenoten, maar lijkt die nu toch stilaan weer te overbruggen. “Klopt, ik zag dat er deze week in de Avondetappe nog werd gesproken over de Toekomstronde van 2013, een van mijn betere herinneringen van bij de beloften. Ik heb die uitslagen er nog eens bijgenomen en dan zie je dat Julian Alaphilippe amper twee plaatsen voor mij eindigt in het klassement. Hij is nu natuurlijk van een heel ander niveau, maar je denkt op zo’n moment wel: misschien heb ik nog meer progressiemarge dan ik zelf nu besef. Elk jaar leer ik een beetje beter hoe ik wedstrijden moet aanpakken, hoe ik mijn seizoen moet indelen, welke koersen mij eigenlijk liggen. Daarom zal ik sowieso eerder een laatbloeier zijn en moet het beste nog komen.”

Maar zien de grote ploegen dat ook zo? Het is immers algemeen geweten dat een renner van 27 niet zo snel meer de stap naar de WorldTour kan maken als een jong talent van 21. “Ik merk dat er inderdaad heel wat ploegen zijn die me al wat te oud vinden, maar desondanks blijft het mijn ambitie om ooit op het hoogste niveau te mogen acteren. Ik denk dat iedere renner die ambitie moet hebben. Als je op mijn leeftijd nog hogerop wil geraken, moet je een ploeg vinden die volledig in jou gelooft, ondanks je leeftijd. Mocht de kans zich voordoen, zal ik enorm blij zijn, maar het is voor mij zeker geen obsessie.”

Dit artikel delen:

Reactie plaatsen

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.