Vuelta 2019: Vooruitblik op het parcours

Door , zondag 18 augustus 2019 om 19:00
Vuelta 2019: Vooruitblik op het parcours

foto: Cor Vos

Inhoudsopgave

Heren wielrenners, bienvenido aan de Spaanse oostkust voor de 74e editie van de Vuelta a España! Vanaf zaterdag 24 augustus koerst het peloton weer ‘kriskras’ door het Spaanse land voor de derde grote ronde van het jaar. In deze voorbeschouwing werpen we als WielerFlits een blik op het parcours en staan we stil bij de belangrijkste etappes. Vamos!


Het mag dan wel de 74e editie van de Ronde van Spanje heten, de renners doen zeker niet alle uithoeken van het Iberisch schiereiland aan. Zo vinden dit jaar geen etappes plaats in de regio’s Murcia (de thuishaven van Alejandro Valverde en Luis León Sánchez) en Galicië (drie jaar geleden nog de uitverkoren plek voor de Gran Salida). Verder is het niet verrassend dat de Vuelta de wat desolate, dorre en bloedhete regio Extremadura links laat liggen. Maar de grootste verrassing is toch dat we dit keer niet naar het zuidelijke Andalusië gaan – en dus geen etappes krijgen naar universiteitsstad Córdoba, de muur van Valdepeñas de Jaen en een van die vele bergtoppen in de Sierra Nevada.

Het podium van vorig jaar: alleen Miguel Ángel López is van de partij – foto: Cor Vos

Nee, La Vuelta houdt het ditmaal bij een flink aantal etappes langs de oostkust en binnenlanden van Valencia en Aragón, gevolgd door één etappe in de wielergekke regio Catalonië. Vervolgens gaat het naar het dwergstaatje Andorra voor een zeer korte maar krachtige bergrit. De renners zijn dan al dicht bij de Franse grens, maar één dag later gaan we helemaal de Franse toer op met een individuele tijdrit in en rond Pau. We blijven echter niet in het buurland, aangezien er etappes wachten in het koersmaffe Navarra en het Baskenland. Na een serie bergritten in Cantabrië en Asturië kent de Vuelta a España zijn besluit in Castillië-La-Manche en de regio Madrid.

Wat als eerste opvalt bij het bestuderen van het parcours: er zijn maar weinig kansen voor de spurters. De Vuelta is al een tijdje geen sprintersparadijs meer, aangezien koersdirecteur Javier Guillén de voorkeur geeft aan pittige etappes, vaak met een explosieve finale. Met een beetje goede wil tellen we vijf, misschien zes sprintetappes, maar dan moet wel alles meezitten voor Sam Bennett, Fernando Gaviria en Fabio Jakobsen. De 74e editie van de Vuelta is (opnieuw) uitgetekend voor de pure klimmers, met relatief weinig tijdritkilometers en vooral heel veel bergritten. In de slotweek staat er slechts één aankomst bergop op het programma, maar zijn er nog wel twee etappes om het verschil te maken.

Statistieken voor de 74e Vuelta a España
flag-es Een ploegentijdrit
flag-es Een individuele tijdrit
flag-es Zeven bergetappes
flag-es Zes heuveletappes
flag-es Zes vlakke etappes
flag-es Acht aankomsten bergop
flag-es 57 gecategoriseerde beklimmingen
flag-es Een beklimming van boven de tweeduizend meter
flag-es 49,6 tijdritkilometers
flag-es Twintig etappes van onder de tweehonderd kilometer
flag-es Een etappe van boven de tweehonderd kilometer
flag-es 3.290,7 kilometers

Op weg naar het bedevaartsoord voor wielrenners

We trekken dit jaar dus niet naar het uiterste zuiden en dat is vrij ongebruikelijk voor de Vuelta a España. Alhoewel: drie jaar geleden bleef de laatste grote ronde van het jaar ook in het noorden, oosten en midden van Spanje hangen, maar in 2018 begon de Vuelta nog in kuststad Málaga, de geboorteplaats van schilder Pablo Picasso. Dit jaar is het de beurt aan een andere badplaats: Torrevieja, zo’n vijftig kilometer ten zuiden van Alicante. Daar beginnen we op zaterdag 24 augustus met een ploegentijdrit van 13,4 kilometer. Het startpodium staat in natuurpark Las Salinas, bekend vanwege zijn wereldberoemde zoutmeren, al sinds lange tijd een toeristische trekpleister vanwege het roze en soms rode water.

De ploegen koersen allereerst in noordoostelijke richting op weg naar de Middellandse Zee. Ze nemen halverwege de tijdrit een soort U-bocht, om vervolgens enkele kilometers langs de kust te rijden. De renners trekken richting het zuiden, aangezien daar Torrevieja ligt, waar de eindtijden zullen worden opgemeten. De tijdrit zelf is zo goed als vlak, kent wel enkele bochten, maar is verder niet al te technisch. Met andere woorden: de ideale omstandigheden om duizelingwekkende snelheden te halen. De Vuelta-organisatie kiest dit jaar weer ‘gewoon’ voor een inleidende ploegentijdrit, nadat Rohan Dennis vorig jaar de korte openingstijdrit wist te winnen. Sinds 2010 zagen we ploegen als HTC-Columbia, Movistar, Team Sky en BMC de TTT winnen.

BMC won de laatste ploegentijdrit in 2017 – foto: Cor Vos

De etappe van zondag zal voor veel renners vertrouwd aanvoelen. Niet zozeer omdat ze starten in de bekende badplaats Benidorm (in de zomer krioelt het hier van de toeristen), maar omdat het peloton finisht in Calpe, waar veel wielrenners een optrekje hebben en ontelbaar veel wielerploegen op winterstage gaan. Nog een leuk weetje: oud-renner Lieuwe Westra woont al een tijdje in het aan de Costa Blanca gelegen stadje, maar zal er deze winter ook een hostel openen voor wielertoeristen. Misschien zien we de oud-renner van Vacansoleil en Astana wel als toeschouwer aan de finish. Het belooft verder een bijzonder pittige etappe te worden, aangezien de renners in de binnenlanden van Valencia over meerdere klimmetjes worden gestuurd.

Het begint na de start in Benidorm al vrij snel met de Puerto de Confrides (2e categorie) en de Alto de Benilloba (3e categorie), om vervolgens via heuvelachtige wegen en passages door dorpjes als Facheca en Benichembla voor de eerste keer Calpe te bereiken, waar we ruim veertig kilometer later pas finishen. De organisatie heeft namelijk gekozen voor een lus ten noorden van Calpe, over golvend terrein, met als scherprechter de Alto de Puig Llorença van tweede categorie. Wie de Vuelta de laatste jaren aandachtig heeft gevolgd, weet meteen over welke beklimming we het hebben. De Alto de Puig Llorença (3 km aan 9,5%) is eigenlijk de slotklim naar Cumbre del Sol (vraag maar aan Tom Dumoulin wat deze beklimming voor hem betekent), met het verschil dat de renners ditmaal niet volledig naar boven gaan.

En toch is de Puig Llorença een echte benenbreker, met stroken tot bijna 20%. Op de top van deze helling is het nog goed 25 kilometer tot de streep in het bedevaartsoord voor wielrenners. De coureurs dalen weer af naar zeeniveau, maar toch is de finale niet volledig vlak, met uitzondering van de laatste zes kilometer. De grote vraag is of we een sprint krijgen in de straten van Calpe, of dat er iemand sterk genoeg is om een solo af te ronden.

Tom Dumoulin haalt Chris Froome in en wint op de Cumbre del Sol – foto: Cor Vos

In Calpe is het maar de vraag of we een (massa)sprint krijgen, maar in Alicante – daar waar de renners maandag finishen – is het wel oppassen voor een spurt van een grotere groep. We koersen kort langs de Valenciaanse kust, maar het peloton trekt vooral de binnenlanden in, waardoor weer de nodige hoogtemeters op het programma staan. Zo koersen de renners over de Puerto de Biar en de Puerto de Tibi, maar het zijn zeker niet de zwaarste beklimmingen in deze Vuelta. En aangezien de laatste veertig kilometer in dalende lijn verlopen, kunnen we gerust Sam Bennett of Fabio Jakobsen opschrijven voor de ritzege, wat we zeker niet elke dag kunnen doen.

We blijven nog even langs de Valenciaanse stranden koersen, aangezien de vierde etappe start in badplaats Cullera en eindigt in El Puig. Dit zijn twee plaatjes die hemelsbreed niet eens zo ver van elkaar liggen (zo’n zestig kilometer), maar de organisatie is er toch in geslaagd om er een etappe van 175,5 kilometer van te maken. U zult begrijpen dat de renners een behoorlijke omweg maken, in een grote boog om Valencia heen. Cullera ligt op zo’n veertig kilometer van de derde grootste stad van Spanje, El Puig een slordige achttien kilometer. De tussenliggende kilometers zijn zo goed als vlak, met uitzondering van de Puerto del Oronet (3e categorie) op 45 kilometer van de meet. Het kan dus bijna niet anders of we krijgen een sprint in de straten van El Puig.

Op weg naar de sterren

Na vier dagen koersen langs de Oost-Spaanse kust trekt het Vuelta-peloton op woensdag de binnenlanden in, met de blik naar het noorden, op weg naar Andorra. Maar voor we het dwergstaatje bereiken stoppen de renners in de regio Aragón, om precies te zijn in de Sierra de Javalambre, een toch wat onderbelichte bergketen. En dat is eigenlijk niet terecht, aangezien ook hier enkele loodzware beklimmingen te vinden zijn. Als we denken aan Aragón, dan denken we vooral aan de slotklim naar skistation Cerler, aangezien de Ronde van Spanje hier al vaker finishte. Maar ditmaal kiest men voor een onbekende maar loodzware col: die naar het Observatorio Astrofisico de Javalambre. De sterrenwacht van Javalambre. En reken maar dat veel renners sterretjes zullen zien!

De vijfde etappe naar Javalambre lijkt gemaakt voor Miguel Ángel López – foto: Cor Vos

Maar eerst gaat het vanuit startplaats L’Eliana – niet zo ver van de oostkust van Valencia – naar de Puerto de Alcublas (5,9 km aan 4,7%) en de Alto Fuente de Rubielos (4,8 km aan 5,7%). Het blijft vervolgens vervelend omhoog lopen tot de voet van de slotklim, die iets meer dan elf kilometer lang is. De Alto de Javalambre (dat bekt al een stuk beter) stijgt aan 7,8%, maar dat is slechts een gemiddelde. In de laatste vijf kilometer zakken de percentages niet meer onder de 8%, terwijl het wegdek regelmatig piekt aan 11/12%. De renners finishen net niet boven de tweeduizend meter, maar het is slechts een detail. Een ding is zeker: de winnaars op Javalambre mogen zich met recht en reden kandidaat-eindwinnaar noemen. Een dag later koersen de renners weer in zuidelijke richting.

De sprinters zullen nog even geduld moeten hebben, want ook op de eerste donderdag finisht het peloton bergop. Al is de Ares del Maestrat in geen enkel opzicht te vergelijken met de Alto de Javalambre. Niet qua lengte, maar zeker ook niet qua steiltegraad. De coureurs moeten vanuit vertrekplaats Mora de Rubielos enkele lopers overwinnen, zoals dat zo mooi heet in wielerjargon. Het begint al bijzonder vroeg met de Puerto de Nogueruelas (9 km aan 4,5%) en de Puerto de Linares (7,7 km aan 5,7%), gevolgd door de Puerto de Culla (4,4 km aan 5,8%) en tot slot de Ares del Maestrat (7,9 km aan 5%). De laatste kilometer van de zesde etappe is weer een tikkeltje steiler. Hoe dan ook, het lijkt een ideale etappe voor wereldkampioen Alejandro Valverde of Esteban Chaves. Een renner die goed kan klimmen, maar ook een fiks eindschot in de benen heeft.

Driemaal is scheepsrecht, moet de organisatie hebben gedacht bij het uittekenen van het parcours. Want na finishes op de Alto de Javalambre en Ares del Maestrat, koersen de coureurs vrijdag naar de top van de korte maar krachtige Mas de la Costa. De aanloop naar de slotklim is al bijzonder pittig met twee beklimmingen van tweede én twee klimmetjes van de derde categorie, maar de beslissing zal normaal gesproken toch vallen in de laatste kilometers. De vier kilometer lange Mas de la Costa is namelijk een echte muur, met stroken tot 21%. Het gemiddelde stijgingspercentage is 12,3%, wat wel de zwaarte aangeeft van deze slotmuur. Vraag maar aan Nairo Quintana hoe je de Mas de la Costa het beste moet beklimmen. De Colombiaan won er namelijk in 2017, maar dat was wel in de Ronde van Valencia. Een jaar eerder kwam de Vuelta er al eens boven: toen bleek Mathias Frank de beste vluchter.

Nairo Quintana won al eens op de Mas de la Costa – foto: Cor Vos

Aanvallen in Andorra

Het tweede Vuelta-weekend begint met de eerste en enige etappe op Catalaans grondgebied. Startplaats Valls heeft een bijzondere band met de koers, aangezien het een bijna jaarlijkse tussenstop is in de Ronde van Catalonië. Op weg naar eindpunt Igualada – zo’n zeventig kilometer van Barcelona – wacht er slechts één beklimming, maar de Puerto de Monserrat (7,4 km aan 6,6%) kan weleens een belangrijke rol spelen in de strijd om de ritzege, aangezien de helling op een strategisch punt (lees: op minder dan dertig kilometer van de streep) ligt in het parcours. Het is maar de vraag of sprinters als Bennett en Gaviria het tempo kunnen volgen. Het lijkt daarom een ideale etappe voor rittenkapers als Philippe Gilbert, Gianluca Brambilla en Jesús Herrada. Om er maar een paar te noemen.

De klassementsrenners zullen hoe dan ook hun benen sparen voor zondag, want dan is het tijd voor een zeer korte maar loodzware bergetappe in het ministaatje Andorra. De etappe doet denken aan die van 2015, toen het peloton over een gelijkaardig parcours werd gestuurd, met finish op Cortals d’Encamp. Dit keer kiest de organisatie voor een andere zijde van deze Pyreneeënreus, maar zwaar zal het hoe dan ook worden. Want vergeet niet dat de renners eerst nog over de Coll d’Ordino (8,9 km aan 5%, direct vanuit de start) en de Coll de la Gallina (12,2 km aan 8,3%, vrij vertaald: de Kippenberg) moeten. Vooral die laatste beklimming is een echte smeerlap, zo zagen we vorig jaar nog. Maar nu gaan de renners helemaal naar boven, wat het allemaal nog wat lastiger maakt.

Na de Gallina gaat het in sneltreinvaart naar de voet van Cortals d’Encamp, een beklimming die eigenlijk uit drie delen bestaat. Het begint allemaal met de Alto de la Comella (4,2 km aan 8,6%), die ook niet kan ontbreken in een Andorraanse bergetappe. Na de Comella volgt een heel korte afdaling, alvorens we weer gaan klimmen naar de top van de Alto de Engolasters (4,8 km aan 8,1%). De renners bevinden zich dan al op 1640 meter hoogte, maar het gaat na een korte afzink naar 2095 meter, de eerste en meteen laatste keer dat de Vuelta boven de magische grens van de tweeduizend meter uitkomt. De slotkilometers naar de Alto Els Cortals d’Encamp (5,7 km aan 8,3%) stijgen maximaal aan 15%, waardoor de pure klimmers zullen wegfladderen. Wie grijpt net voor de eerste rustdag de macht?

De afwezige Mikel Landa won in 2015 op Cortals d’Encamp – foto: Cor Vos

Na een hevige dag in de Andorraanse bergen trekt de karavaan zo’n driehonderd kilometer naar het noordwesten, over de Franse grens, met als eindbestemming Pau. De Tour de France komt vaak aan in het voormalige kuuroord, maar de Vuelta heeft niet zo’n rijke geschiedenis met het Zuid-Franse Pau. De geboorteplaats van Matthieu Ladagnous (Groupama-FDJ) zal eerst als uitvalsbasis dienen van de eerste rustdag, maar de stad is op dinsdag ook het decor van de enige individuele tijdrit. Toevalligerwijs kende de voorbije Ronde van Frankrijk ook een individuele chrono in en rond Pau. Als we dan toch aan het vergelijken zijn: de renners krijgen dinsdag een langere tijdrit (36,2 kilometer) voor de wielen geschoven, maar het parcours is dan weer niet zo glooiend.

Alhoewel: de tijdrit begint meteen met de Côte de Beauvallon (2 km aan 7,3%). Als de eenzame tijdrijder zijn fiets naar boven heeft gesleurd, begint hij aan tien relatief vlakke kilometers, gevolgd door een korte afdaling naar de voet van het tweede en laatste klimmetje: de Côte de l’Eglise (1,7 km aan 5,9%). Het blijft na de l’Eglise echter nog vervelend omhoog lopen richting het dorpje Saint-Faust (op driehonderd meter hoogte), maar dan volgt de ultieme beloning met enkele dalende kilometers. De laatste +/- tien kilometer zijn dan weer voor de pure tijdrijders, met uitzondering van de laatste honderden meters, die weer lichtjes stijgen. Om de pure klimmers een klein beetje op te beuren: het parcours is toch vrij verraderlijk en technisch, met flink wat flauwe en haakse bochten.

Terugkeer naar de duivelse Los Machucos

We blijven niet erg lang in Frankrijk, aangezien we woensdag alweer finishen in Spanje, in de regio Navarra, wel heel dicht bij de Franse en Baskische grens. De renners beginnen de dag op Franse grond (Saint-Palas, gelegen in het departement Pyrénées-Atlantiques), maar ze steken na goed 120 kilometer de Spaanse grens over, om niet veel later toch weer even Frankrijk op te zoeken. We koersen over de westelijke uitlopers van de Pyreneeën, waardoor geen zware cols op het programma staan. Maar de renners doen er goed aan om de elfde etappe naar Urdax niet te onderschatten. Het gaat namelijk constant op en af, met legio korte steile klimmetjes maar ook langere lopers. Beeld je een willekeurige etappe in van de Ronde van het Baskenland.

Om in finishplaats Urdax te komen moeten de renners over de Col d’Osquich (4,9 km aan 6,1%), de Col D’Ispéguy (de Izpegipas, 7,2 km aan 7,1%, op de grens tussen Frankrijk en Spanje) en de Col de Otxondo (7,6 km aan 4,7%), om vervolgens nog bijna veertig kilometer af te leggen naar de streep. Het lijkt een ideale etappe voor een omvangrijke vlucht, maar een sterke sprinter is zeker niet kansloos. Op donderdag 5 september hoeven we geen snelle mannen te verwachten, aangezien de renners worden getrakteerd op een typisch Baskische etappe, over kronkelende wegen en onmogelijke muren. De start is ditmaal op een racecircuit, in de buurt van Los Arcos, dat gebouwd is in 2010. Twee jaar geleden was dit het beginpunt van de individuele tijdrit naar Logroño, gewonnen door Chris Froome.

Igor Anton flikt het: hij wint als Bask in Bilbao – foto: Cor Vos

Ditmaal gaat het echter naar dé wielerstad bij uitstek: Bilbao. Daar waar het Guggenheim is gevestigd, een bedevaartsoord voor liefhebbers van moderne kunst. Het begin van de etappe is nog niet eens zo lastig, maar in de laatste veertig kilometer is het alle hens aan dek met de Alto de Urruztimendi (2,5 km aan 9,2%), de Alto el Vivero (4,3 km aan 7,7%) en de gevreesde Alto de Arraiz (2,2 km aan 12,2%). Vooral die laatste beklimming is een verschrikking voor de niet-klimmers, maar een wonderschone helling voor de springveren, met maximale percentages tot 25%. Het kan niet anders of het peloton zal hier volledig scheuren, ook al omdat het na de top nog maar zeven kilometer dalen is naar de rode vod in Bilbao.

Na twee niet te onderschatten etappes door de regio’s Navarra en het Baskenland, doet de Vuelta er nog een schepje bovenop. Wie de Alto de Arraiz al zwaar vindt, zal steil achterover slaan bij het zien van Los Machucos, de slotklim van de dertiende etappe. Maar voor we aan de voet komen van dit onding, vertrekken de renners vanuit Bilbao naar de nodige kuitenbijters, zoals de Alto de Ubal (7,9 km aan 6%), de Collado del Asón (13 km aan 3,9%) en de Puerto de Alisas (8,5 km aan 6%). En toch is het allemaal kinderspel vergeleken met Los Machucos. Na goed zestig kilometer koersen de renners over de Baskische grens en bereiken ze Cantabrië, gelegen aan de Cantabrische Zee. Via beklimmingen met de gevleugelde namen Puerto de Fuente las Varas en de Puerto de la Cruz de Usaño gaat het naar de slotklim.

De Alto de Los Machucos (6,8 km aan 9,2%) werd twee jaar geleden ontdekt door de organisatie, die besloot een finish te organiseren op de top van het Cantabrische monster. We kregen er een duel op het scherpst van de snede, met een dansende Alberto Contador en een krasselende Chris Froome. De Brit wist zijn rode leiderstrui te verdedigen, maar hij had er wel een heel sterke ploeg voor nodig. De ritzege ging toen naar de verrassend sterke Stefan Denifl, die als vroege vluchter uit de greep wist te blijven van Contador. Inmiddels kennen we het geheim van de Oostenrijker… De Alto de los Machucos is een bijzondere onregelmatige beklimming, aangezien stroken van twintig procent worden afgewisseld met dalende stukken.

En toch zullen de verschillen groot zijn op de top van de berg, aangezien de renners ook drie kilometer moeten klimmen aan ruim 13%, en dat is slechts het gemiddelde. Daar komt nog bij dat het wegdek op 2,5 kilometer van de finish drastisch verandert, van een gewone (maar niet al te beste) asfaltweg naar een soort betonplaat met geulen, die overdwars in het wegdek zijn gestoken om extra grip te verlenen aan naar boven tuffende auto’s. Het is slechts van korte duur, maar het zorgt wel voor een extra dynamiek. En u zult het niet geloven, maar de laatste honderden meters gaan zelfs lichtjes bergaf, gevolgd door een ultieme knik.

Miguel Ángel López en Alberto Contador zien af op Los Machucos – foto: Cor Vos

Asturiaans explosiegevaar

Het peloton krijgt zaterdag de kans om op adem te komen, want in de veertiende etappe van San Vicente de la Barquera naar Oviedo wachten geen noemenswaardige hindernissen. De Vuelta had kunnen kiezen voor een finish op de beroemde Alto del Naranco, even buiten Oviedo, maar ditmaal eindigt de etappe met een vlakke finale door de straten van de hoofdstad van de provincie Asturië. Misschien dat de wind nog een rol kan spelen, aangezien we de hele dag langs de kust trekken. De Alto la Madera (8 km aan 3,5%) in volle finale moet geen problemen opleveren. Zie het als een snipperdag voor de etappe van zondag, naar de top van het heiligdom van Acebo.

De renners snakken nu echt naar de tweede rustdag, maar eerst staan er nog twee zware bergetappes op het programma door de Asturiaanse binnenlanden. En wie bekend is met deze regio, weet dat de wegen er vaak steil en smal zijn. En dat de regen met bakken uit de hemel kan vallen. Het is voor de renners te hopen dat het zonnetje schijnt, want de etappe van zondag is zo al zwaar genoeg. Na twintig kilometer beginnen de renners aan de Puerto del Acebo (8,2 km aan 7,1%), een klim niet ver van de afsluitende Sanctuario de la Virgen del Acebo. De tweede klim van de dag luistert naar de naam Puerto del Connio (11,7 km aan 6,2%).

Eenmaal op de top van de Connio zijn we halverwege deze etappe, maar het zwaarste moet nog komen. Na een snelle afdaling bereiken de coureurs al vrij snel de voet van de Puerto del Pozo de las Mujeres Muertas (de klim van de dode meisjes, wat meteen doet denken aan La Planche des Belles Filles). Het is een hele mond vol, maar uiteindelijk doet het gewoon pijn aan de al vermoeide benen. Wie hier wil aanvallen, moet van hele goede huize komen, want het is vervolgens nog dertig kilometer tot de slotklim: de Sanctuario de la Virgen del Acebo. We komen uit op een gemiddelde hellingsgraad van 9,7%, maar percentages van 10% en meer zijn schering en inslag.

Let op Esteban Chaves in etappe vijftien en zestien – foto: Cor Vos

De Alto el Acebo is de jaarlijkse scherprechter in de Ronde van Asturië, maar gek genoeg is de Vuelta er nog nooit eerder gefinisht. De Ronde van Spanje zoekt dus nieuwe oorden op, ook op maandag, als gefinisht wordt op de top van de Alto de la Cubilla. Maar voor de renners aan het hoofdgerecht beginnen, krijgen ze eerst nog een aperitiefje (Puerto de San Lorenzo, 10 km aan 8,5%) en voorgerecht (Alto de la Cobertoria, 8,3 km aan 8,2%) op hun bord. De San Lorenzo en Cobertoria zijn al zo vaak beklommen in de Vuelta, maar La Cubilla is spiksplinternieuw. Hij is niet zo steil als een Los Machucos of Alto el Acebo, maar wel een stuk langer.

Vanaf de voet van de slotklim tot aan de top is het bijna achttien kilometer klimmen aan een slordige zes procent. De Alto de la Cubilla is een echte loper, maar na twee weken Vuelta en enkele zware etappes op rij is geen enkele beklimming meer ‘te doen’. De eerste drie kilometer zijn meteen pittig aan 7%, terwijl er in de finale ook nog enkele steilere hectometers zijn. De renners finishen op 1690 meter hoogte, waarna de balans kan worden opgemaakt. Wie zijn er nog in staat om de Vuelta te winnen? In de slotweek zijn er nog twee kansen om het klassement op zijn kop te zetten, maar dan zullen de favorieten wel van ver moeten aanvallen.

Tom Dumoulin en zijn Waterloo

Na een welverdiende tweede rustdag stappen de renners woensdag weer op de fiets, voor een vlakke etappe naar Guadalajara (niet te verwarren met die Mexicaanse stad), waar we zonder ongelukken een sprint krijgen. Het is vooral uitkijken naar de achttiende etappe naar Becerril de la Sierra, een gemeente in de Spaanse regio en provincie Madrid. We zijn niet eens zo ver van ons eindstation, maar voor de renners zal het aanvoelen als een eeuwigheid. Ze krijgen allereerst een bergetappe van 177,5 kilometer voor de kiezen, dwars door de bergketen Sierra de Guadarrama, met als hoogste punt de 2430 meter hoge Peñalara.

Zo hoog gaan de renners echter niet, maar met vier beklimmingen boven de 1700 meter belooft het alsnog een zware etappe te worden. De renners beginnen na goed dertig kilometer met de zwaarste en bekendste col: de Puerto de Navacerrada (11,8 km aan 6,3%), een vaak terugkerende beklimming in de Ronde van Spanje. Na een korte afdaling gaat het weer bergop naar de top van de Puerto de la Morcuera (13,2 km aan 5%), waar nog wel het nodige over te vertellen valt. Na een intermezzo van ruim dertig kilometer komen de renners weer aan de voet van de Morcuera, maar ditmaal beklimmen de coureurs hem vanuit een andere kant.

Aru valt aan op de Morcuera, Dumoulin (in het rood) probeert de schade te beperken – foto: Cor Vos

Dit keer wacht het peloton een klim van net iets meer dan tien kilometer, maar wel aan een gemiddelde van 6,7%. Eenmaal boven zijn er nog altijd 56,7 kilometer af te leggen, maar er wacht nog een vierde en laatste klim met de Puerto de Cotos (13,9 km aam 4,8%), eigenlijk de makkelijkste van allemaal. Maar vergeet niet dat de vermoeidheid al begint door te wegen, waardoor er alsnog serieuze verschillen kunnen ontstaan. Vraag dat maar aan Tom Dumoulin, die vier jaar geleden op deze wegen zijn Vuelta-zege verspeelde. Toen moesten de renners in de voorlaatste etappe ook tweemaal over de Puerto de la Morcuera en de Puerto de Cotos, op weg naar Cercedilla.

De Nederlander wist aanvankelijk stand te houden, maar op de Morcuera lag het tempo van Astana-renners Fabio Aru en Mikel Landa toch te hoog. Tot overmaat van ramp reden de overige concurrenten ook van Dumoulin weg, net voor de top van de Morcuera. De eenzame leider moest in de daaropvolgende vlakke kilometers opboksen tegen meerdere renners van Astana, die zich hadden laten uitzakken uit de kopgroep. Het verhaal is verder bekend: Dumoulin verloor die dag uiteindelijk vijf minuten, waardoor Aru zijn eerste grote ronde wist te winnen. De Italiaan is dit jaar opnieuw van de partij, maar Dumoulin moet passen wegens een knieblessure.

De Vuelta nadert zijn ultieme ontknoping, want na een laatste overgangsetappe naar het schitterende Toledo (met een laatste oplopende kilometer, Philippe Gilbert won er nog in 2010) valt de beslissing in de laatste bergetappe richting Plataforma de Gredos. Twee dagen geleden koersten de renners nog door de Sierra de Guadarrama, nu is het tijd voor een passage door een ‘nabijgelegen’ bergketen: de Sierra de Gredos. We bevinden ons tussen bekende steden als Ávila, Cáceres, Madrid en Toledo. De etappe is 190,4 kilometer lang en telt zes officiële beklimmingen. Het is nergens echt steil, maar het gaat wel constant op en af, wat voor een verrassend koersverloop kan zorgen.

Philippe Gilbert sprint naar de zege in Toledo – foto: Cor Vos

Het duurt niet lang vooraleer we beginnen aan de inleidende Puerto de Pedro Bernardo (18,4 km aan 4,4%), vrijwel direct gevolgd door de Puerto de Serranillos (9 km aan 4,8%). Een leuk weetje: het was op de Serranillos dat Bernard Hinault in 1983 rivaal Julián Gorospe op achterstand zette, waardoor de Fransman zijn tweede en laatste Vuelta won. Na de top van deze klim volgt een langere afdaling naar de voet van de Alto de Navatalgordo (5,3 km aan 7,2%). De renners zijn dan pas net halverwege, er staan nog heel wat hoogtemeters op het menu. Zo gaat het via de Alto de Gredos (de oostkant) en de Puerto de Chía (3 km aan 4%) naar de voorlaatste beklimming van deze Vuelta.

Wellicht zien we op de Puerto de Peña Negra (14,2 km aan 5,9%, maar met stroken tot 10%) wel een ultieme aanval op de rode leiderstrui, aangezien het nog ruim dertig kilometer is tot de finish. Na een lange afdaling en één oncategoriseerde helling begint de Alto de Gredos (westzijde), waar de finishstreep is getrokken van de voorlaatste etappe. De klim is officieel 9,4 kilometer lang, maar vooral de laatste drie kilometer (aan ongeveer 9%) zijn interessant. Wie mag zich op 1750 meter hoogte de winnaar van de Vuelta a España noemen?

In de traditionele slotetappe naar Madrid zal er namelijk niet meer worden gestreden om ‘el Maillot Rojo’. Nee, de renners koersen nog een slordige honderd kilometer tussen Fuenlabrada en Madrid, om te eindigen met elf lokale ronden van 5,8 kilometer door de Madrileense binnenstad. We zullen aan het einde nog één keer sprinten aan het Plaza de Cibeles. En dan kunnen we maar één ding zeggen: Hasta la vista! 


Etappeschema Vuelta a España 2019

Etappe 1 – zat. 24 augustus: Salinas de Torrevieja – Torrevieja (13,4 km, TTT)
Etappe 2 – zon. 25 augustus: Benidorm – Calpe (199,6 km)
Etappe 3 – ma. 26 augustus: Ibi. Ciudad del Juguete – Alicante (188 km)
Etappe 4 – di. 27 augustus: Cullera – El Puig (175,5 km)
Etappe 5 – wo. 28 augustus: L’Eliana – Observatorio Astrofísico de Javalambre (170,7 km)
Etappe 6 – do. 29 augustus: Mora de Rubielos – Ares del Maestrat (198,9 km)
Etappe 7 – vr. 30 augustus: Onda – Mas de la Costa (183,2 km)
Etappe 8 – za. 31 augustus: Valls – Igualada (166,9 km)
Etappe 9 – zo. 1 september: Andorra la Vella – Cortals d’Encamp (94,4 km)

Ma. 2 september – Rustdag in Pau

Etappe 10 – di. 3 september: Jurançon – Pau (36,2 km, ITT)
Etappe 11 – wo. 4 september: Saint Palais – Urdax-Dantxarinea (180 km)
Etappe 12 – do. 5 september: Circuito de Navarra – Bilbao (171,4 km)
Etappe 13 – vr. 6 september: Bilbao – Los Machucos. Monumento Vaca Pasiega (166,4 km)
Etappe 14 – za. 7 september: San Vicente de la Barquera – Oviedo (188 km)
Etappe 15 – zo. 8 september: Tineo – Santuario del Acebo (154,4 km)
Etappe 16 – ma. 9 september: Pravia – Alto de La Cubilla (144,4 km)

Di. 10 september – Rustdag in Burgos

Etappe 17 – wo. 11 september: Aranda de Duero – Guadalajara (219,6 km)
Etappe 18 – do. 12 september: Colmenar Viejo – Becerril de la Sierra (177,5 km)
Etappe 19 – vr. 13 september: Ávila-Toledo (163,4 km)
Etappe 20 – zat. 14 september: Arenas de San Pedro – Plataforma de Gredos (190,4 km)
Etappe 21 – zo. 15 september: Fuenlabrada – Madrid (106,6 km)


WielerFlits komt tijdens de Vuelta a España dagelijks met een voorbeschouwing op de eerstvolgende etappe, waarin uitgebreid het parcours en de favorieten aan bod komen. Mis niets van de Vuelta bij WielerFlits!

Dit artikel delen:

Reactie plaatsen

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.