Arne Marit na Franse overwinning: “Nu wil ik écht aan mijn sprint beginnen werken”

Arne Marit na Franse overwinning: “Nu wil ik écht aan mijn sprint beginnen werken”

Foto: Getty Images

dinsdag 19 oktober 2021 om 11:45
Interview

De Nederlandse Eurosport-commentatoren hadden hem niet eens herkend toen hij juichend over de aankomst kwam in de Grand Prix du Morbihan (1.Pro), maar toch is Arne Marit de Belgische revelatie van het najaar. Hoe kan het ook anders, als je Bryan Coquard en Elia Viviani klopt in een lastige massasprint. Na een zevende plaats in Parijs-Tours was het al zijn tweede straffe stoot in één week tijd. “Nu weet ik zeker dat mijn sprint het wapen is waar ik de komende jaren op moet inzetten”, zegt de 22-jarige Marit aan WielerFlits.

“Twee dagen later is het besef wat kunnen indalen”, lacht Marit aan de andere kant van de lijn. “Het was allemaal heel overweldigend. Alle emoties, zoveel aandacht – zelfs van Sporza, en heel wat telefoontjes. Dat is allemaal nieuw voor mij. Direct die camera’s op mij na de streep ook. En als Viviani en Coquard je flankeren op het podium, maakt dat het helemaal af, hé. Als zij er niet waren geweest, dan had iedereen de zege misschien niet naar waarde geschat en gezegd: zo hoog zal het niveau daar wel niet geweest zijn zeker, aan het einde van het seizoen?”

Was het deze week de eerste keer dit seizoen dat je de sprint kon rijden die je zelf wilde?
“In de Gooikse Pijl was dat al redelijk goed gelukt, maar als ik daar had willen meedoen voor de zege, dan had ik in het wiel van Fabio Jakobsen moeten zitten. Nu werd het een vierde plek. Maar goed, de laatste weken voelde ik dat ik steeds vaker met overschot aan de sprint kon beginnen. Deze week in Frankrijk was het de eerste keer dat ik me weer voelde zoals bij de beloftes: dat gevoel dat de zege écht kortbij is. Dan komt dat winnersinstinct plots weer boven, wat ik al het hele jaar aan het zoeken was. Je ruikt de meet en dan kan je toch weer dat tikkeltje meer.”

Het gevolg van een heel jaar bijleren en sterker worden? Want een gemakkelijk jaar is het niet geweest denk ik.
“Ja, dat klopt wel. Ik weet nog goed: na de klassiekers in het voorjaar was ik mijn moraal aan het verliezen. Als renner van een kleine ploeg was het niet gemakkelijk om mij staande te houden in het peloton. Ik vond mijn draai niet en liet me veel te snel wegdrummen. Misschien had ik nog iets te veel respect. Je denkt, als je daar als jonge snotneus tussen rijdt, soms nog iets te veel: die renner ga ik nu toch geen kwak geven? Maar doorheen het seizoen ben ik daar in gegroeid.

En ik ben ook veel sterker geworden. In de Ronde van Luxemburg en Benelux Tour was het bijvoorbeeld echt afzien, maar ik heb er wel een basis gelegd voor dit sterke najaar. Mijn waardes zijn er sterk op vooruitgegaan.”

Hoe groot zijn die verschillen dan?
“In mijn vijf minutenwaarde duw ik dertig watt meer dan vorig jaar. Vorig jaar trapte ik in mijn tien minutenwaardes ook twintig watt minder. Maar ik heb nu meer koershardheid opgedaan en door die hogere wattages begin ik frisser aan de sprint. Dat maakt aan het einde van het jaar nu misschien het verschil.”

Wanneer dit seizoen kreeg je voor het eerst het gevoel: het komt allemaal wel in orde, ik kan het niveau aan?
“Ik had dat eigenlijk half mei, in Hongarije, al. Er waren veel jonge jongens die daar konden gebruikmaken van wat sprintkansen. Zoals een Kaden Groves, Alberto Dainese, Jordi Meeus,… En dan voelde ik wel: als ik mij er kan tussensmijten, dan lukt het wel. Er waren wel altijd kleine dingetjes die misliepen daar, waardoor mijn eerste goede uitslag duurde tot de Arctic Race. En vanaf dan is het beginnen draaien. Ik wist dan: oké, mijn sprint is bij de profs ook een wapen.”

Foto: Getty Images

Vanaf dan was je amper nog uit de eerste tien weg te slaan…
“Inderdaad, in het najaar kreeg ik meer kansen en schoof ik in elke sprint meer en meer op. Eerst een zesde, dan twee keer een vierde plaats. Hoe meer sprints je op het hoogste niveau rijdt en die neus krijgt voor de juiste beslissingen, hoe beter het gaat lukken.”

Wat had je opgestoken uit die voorgaande sprints?
“Dat ik te laks was. Soms denk je: ‘ik zit hier wel goed, als ik hier mijn sprint kan aanzetten, dan komt het wel in orde, zeker?’ Maar dan wacht je juist die seconde te lang, je doet niet op tijd die push naar voren, waardoor het peloton voor je neus toegaat. Dan kan je niet meer zelf bepalen wat voor sprint je rijdt en je wordt tiende of zo. Maar nu weet ik: je moet altijd die druk naar voren blijven zetten. Nooit denken: hier zit ik wel goed. Dat heb ik er bij mezelf wel ingedramd en ik wist dat het aan het einde van het seizoen dan weleens zou kunnen lukken om iets te tonen.”

Een ding is zeker: je gaat met een topgevoel de winter in.
“Zeker. Als ik nu op mijn jaar terugkijk, zou ik mezelf bijna een 10 op 10 geven. Ik heb mijn seizoen eigenlijk gemaakt met een zevende plaats in Parijs-Tours en nu dan die zege. Dat maakt het gewoon af. Mochten die twee er niet geweest zijn, dan was ik ook al met een goed gevoel de winter ingegaan, omdat er dit jaar al heel wat progressie inzat. Als je ziet waar ik vandaan kom: in het begin van het jaar vier keer een DNF na elkaar… Dat was mentaal echt niet simpel. Maar nu kan ik diezelfde jongens ineens bedreigen in de spurt. Na een jaar vol ups en downs is dat zalig.”

Wat zijn zaken die naar volgend seizoen wél nog beter moeten?
“Ik heb dit jaar gemerkt dat die drie minuten- en vijf minuten-inspanningen de doorslag geven bij de profs. Die maken het verschil of je mee bent of niet. Dat zal voor mij een werkpunt blijven, om die hardheid in mijn trainingen te behouden. Maar mijn sprint blijkt het wapen te zijn waar ik koersen kan afmaken. Dus daar wil ik meer op inzetten. Meer sprinttrainingen, ook meer krachttraining. Ook tijdens het seizoen, want dat deed ik dit jaar vrijwel niet.”

Je spreekt altijd over die drie- en vijf minuten-inspanningen. Zijn jouw twintig seconden-waardes dan wel al volledig op niveau?
“Mijn trainer zegt altijd, al van bij de junioren, dat ik bij de beteren zou horen bij de sprinters op profniveau. Als je naar mijn benen zou kijken, dan zou je niet zeggen dat ik een topsprinter ben, zoals een Jakobsen. Ik heb geen stierenbillen. Misschien dat er in dat opzicht nog wat volume bij kan, maar het is volgens mij al wel op een goed niveau. Het kan altijd beter, want dit seizoen hebben we daar nog niet al te veel op gewerkt.

We zijn vooral globaal te werk gegaan, omdat we nog niet honderd procent zeker wisten of mijn sprint mijn enige sterke punt zou zijn. Bij de beloftes en junioren leek dat wel altijd zo, maar ik wilde dat nog bevestigd zien. Nu dat gebeurd is, kunnen we daarop specialiseren.”

2022 moet dan het jaar van de bevestiging worden. Boezemt dat jou angst in?
“Natuurlijk wil ik tonen dat dit geen toevalstreffer was, maar ik vind het gemakkelijker om te bevestigen dan om je positie binnen de ploeg af te dwingen, zoals dit jaar. Eens je bewijst dat je iets kunt, dan krijg je het vertrouwen van de ploegmaten. Dan gaan ze rapper voor jou rijden en ik ben ook iemand die vertrouwen nodig heeft. Aaron Verwilst zei deze week nog: ‘blijf alstublieft nog een jaar, dan hebben we iemand om voor te werken die het kan afwerken.’ Dat is superleuk om te horen, en dat doet me nog meer uitkijken naar volgend seizoen.”

Dit artikel delen:

Reactie plaatsen

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.