Vuelta 2023: Vooruitblik op het parcours — Afzien van Andorra tot Angliru
foto: Cor Vos
donderdag 24 augustus 2023 om 18:30

Vuelta 2023: Vooruitblik op het parcours — Afzien van Andorra tot Angliru

De Tour en het knotsgekke Super WK wielrennen liggen nog maar net achter ons, maar het volgende hoogtepunt op de wielerkalender is alweer daar: de Vuelta a España belooft ook dit jaar weer een intrigerend schouwspel op te leveren. De twee grootste Spaanse steden verzorgen de gran salida en het sluitstuk van de ronde, maar het grootste spektakel zit ‘m in de ritten daartussenin. Wat hebben de parcoursbouwers van de Spaanse rittenkoers dit jaar voor ons petto? WielerFlits zet het parcours op een rij. ¡Vamos!

De 78ste Vuelta a España kort samengevat

  • 21 etappes
  • 3153,8 kilometer
  • 51.807 hoogtemeters
  • Start in Barcelona
  • Finish in Madrid
  • Rustdagen op maandag 4 september en maandag 11 september
  • 1 tijdrit
  • 1 ploegentijdrit
  • 40,6 tijdritkilometers
  • 9 aankomsten bergop
  • 2 etappes langer dan 200 kilometer
  • 13 etappes tussen de 150 en 200 kilometer
  • 4 etappes tussen de 100 en 150 kilometer
  • 20 beklimmingen van derde categorie
  • 8 beklimmingen van tweede categorie
  • 13 beklimmingen van eerste categorie
  • 5 beklimmingen van buitencategorie

Vuelta a Espana (26-08 t/m 17-09)


Etappe 1

Ploegentijdrit Barcelona (14,8 km)

Veel ploegentijdritten zien we niet op het allerhoogste niveau, maar de Vuelta a España opent het laatste decennium meestal met deze nobele discipline. Zo ook dit jaar. Het startpodium staat zo ongeveer op het strand opgesteld bij de Port Olímpic. Niet meteen het meest aantrekkelijke deel van de stad, maar gelukkig blijven de renners er niet lang hangen. Het parcours trekt namelijk al snel de stad in, langs diverse toeristische hoogtepunten.

Met dank aan de planoloog Ildefons Cerdà lijkt het stratensysteem van Barcelona van bovenaf veel meer dan andere grote Europese steden op een schaakbord. Dat houdt voor deze ploegentijdrit in: veel bochten van negentig graden. Bij het beroemdste bouwwerk van de stad, de Sagrada Familia, wordt na goed tien kilometer de tussentijd opgenomen.

Langs de vermaarde Casa Milà trekken de coureurs vervolgens richting nog een bekend gezicht van Barcelona: de Venetiaanse torens aan de Avinguda de la Reina Maria Cristina. Op die weg ligt na 14,8 kilometer de finish in de buurt van de magische fontein.


Etappe 2

Mataró – Barcelona (181,8 km)

Ook op de tweede dag van de Vuelta melden de renners zich voor de start aan het strand. Het strand van Mataró, in dit geval. De Ronde van Catalonië is er de voorbije jaren vaak op bezoek geweest, voor de ronde van het hele land is het de eerste keer.

Vrijwel direct vanuit de start gaat het bergop. De Coll de Sant Bartomeu (6,6 km à 4,5%) is niet heel moeilijk, maar zo vanuit de start kan-ie toch flink zeer doen. Na een bliksembezoek aan het Circuit de Barcelona-Catalunya wordt de Coll D’Estenalles beklommen. Zo’n twintig kilometer lang, maar wel met een gemiddelde waar je niet steil van achterover slaat.

Belangrijker is de klim helemaal aan het einde van de etappe. Dat is namelijk de klim naar het kasteel van Montjuïc, de bekendste berg van Barcelona. Deze olympische berg is geen klim waarop je de Vuelta gaat winnen, maar je kunt er al wel een paar secondes verliezen. Een van de aanwezige springveren zou de 0,9 kilometer lange klim à 9,4% kunnen aangrijpen om alvast wat secondes te pakken.

Philippe Gilbert liet in 2012 zien hoe dat moet. Na een ziedende afdaling is het nog goed 1,5 kilometer vervelend omhoog tot aan de streep, bij het Olympisch Stadion.


Etappe 3

Súria – Arinsal (158,5 km)

Een eerste buitenlands uitstapje voor de Ronde van Spanje, net als de eerste aankomst bergop. De dwerg- dan wel bergstaat Andorra is gastheer van de laatste vijftig kilometer van de etappe, met daarin de eerste serieuze beklimmingen van de ronde. Maar die doemen pas op aan het einde van de etappe, eerst moeten er ongeveer 120 vlakke kilometers worden afgelegd om vanuit Súria in Andorra la Vella te komen.

Na de passage door de malle hoofdstad begint het betere werk. Na 128,2 kilometer fietsen begint volgens het routeboek de Ordino, de eerste klim van de dag. Er zitten enkele vlakkere stukjes in de klim en zelfs een klein afdalinkje vlak voor de top, maar zelfs aan de droge statistieken (19,6 km à 4,8%) kun je al aflezen dat het een klim is die in de kleren gaat kruipen. Een mooi opwarmertje voor de slotklim.

Vanuit wielerstad La Massana gaat het meer dan acht kilometer omhoog. Het gemiddelde van 7,7% liegt er niet om en dat geldt in het bijzonder voor het stuk tussen 3,5 en 1,5 kilometer voor de finish. De topfavorieten kunnen elkaar hier voor het eerst bestoken.


Etappe 4

Andorra la Vella – Tarragona (184,6 km)

Terug naar de zee, want na een eerste bezoekje aan de Pyreneeën duurt het nog wel even voordat de Ronde van Spanje er terugkeert. In plaats daarvan gaat het ruim 180 kilometer richting de Costa Daurada. Een goed moment voor klassementsrenners die tijd hebben verloren om hun wonden te likken. Goed moment ook voor de sprintersploegen om een van de ‘zekerheidjes’ binnen te koppen in de leuke stad Tarragona.

Zeker is niets, zeker in het wielrennen, maar dit heeft toch alles weg van een etappe die in een massasprint moet eindigen. Goed, twee klimmetjes, de Alto de Belltall (9,3 km à 3,7%) en de Coll de Lilla (5,2 km à 4,9%), maar dat zou de snelle mannen toch niet heel veel moeilijkheden moeten bezorgen. Zeker omdat de laatste dertig kilometer vooral in dalende lijn lopen. Vanaf de laatste bocht loopt het nog even listig omhoog, zo’n 450 meter à 4,6%. Zeker geen eenvoudige sprint langs de oude stadsmuur, dus!


Etappe 5

Morella – Burriana (186,2 km)

Wie de website van los pueblos más bonitos de España rondstruint komt vanzelf startplaats Morella tegen, in het uiterste noorden van de Valenciaanse Gemeenschap. Een mooi toeristisch plaatsje, terecht op de lijst. Het wordt omschreven als bergdorpje, en daar valt wel wat voor te zeggen, daar het op ruim 1100 meter boven zeeniveau ligt. Finishplaats Burriana wordt voornamelijk bezocht vanwege het strand, wat betekent dat de renners dus vandaag een flink stuk omlaag zullen rijden.

Gemakkelijk is deze rit ook niet meteen, want het af te leggen traject bevat nog altijd ruim 2600 hoogtemeters. Maar goed, met het brute geweld dat er nog aankomt, is dit toch een van de eenvoudigere dagen in de Vuelta. Afspraak ergens tussen vijf en zes uur ’s middags op de Avenida Mediterrania, waar na 186 kilometer waarschijnlijk in groep om de etappeoverwinning zal worden gesprint. De laatste rechte lijn is 750 meter langs het strand.


Etappe 6

La Vall d’Uixó – Observatorio Astrofísico de Javalambre (183,1 km)

Na een paar dagen ‘Vamos a la Playa’ is het vandaag weer echt klimmen geblazen. De laatste dag van augustus wordt gebruikt om de Alto de Javalambre voor de tweede keer in het Vuelta-verleden te beklimmen. In 2019 was het Ángel Madrazo die er zijn mooiste dag uit zijn carrière beleefde, nipt voor ploeggenoot Jetse Bol.

De etappe van nu is niet helemaal een exacte kopie van de etappe van toen, maar veel scheelt het niet. Aanvallers zullen dan ook weer kansen om alvast wat voorsprong te pakken alvorens de allesbepalende slotklim wordt aangevangen.

De eerste kilometers van de Alto de Javalambre (11,5 km à 7,6%) zijn behoorlijk eenvoudig, maar na vier kilometer is het aanpoten geblazen. De beklimming brengt de coureurs naar net geen 2000 meter hoogte en ze zal met een heel aantal passages van boven de tien procent voor behoorlijke verschillen zorgen. De zone van de waarheid op de Picón del Buitre, de gierenberg, zijn de laatste vijf kilometers, met flinke stukken boven de tien procent. Niet echt om te gieren, dus.


Etappe 7

Utiel – Oliva (200,8 km)

De eerste etappe die langer is dan 200 kilometer, al zullen de renners die last hebben van de beruchte 200 kilometer-grens hier nog wel mee kunnen leven. Dat geldt ook voor de aanwezige snelle mannen die zich over de bergen moeten slepen, want vandaag is het vermoedelijk nog eens aan hen. Ze zullen de kans willen grijpen, want hierna moeten ze bijna een week wachten op de volgende serieuze sprintkans. Het zou dan ook zomaar de laatste etappe kunnen zijn van een paar sprinters. De klassementsmannen zullen daarentegen blij zijn als ze de dag zonder kleerscheuren zijn doorgekomen.

Tweehonderd kilometer dus, waarvan de laatste pakweg tachtig kilometer zo vlak als wat. Nee, Jetse Bol, ditmaal niet eens WielerFlits-vlak, maar écht vlak. De circa 1200 te overwinnen hoogtemeters liggen voor het binnenrijden van Valencia, daarna gaan de renners keurig een kilometer of zeventig de kust af richting finishplaats Oliva. De wegen van de finale zullen veel renners wel kennen, daar Oliva behoorlijk in de buurt ligt van de wielerreservaten Dénia en Calpe. Renners zullen derhalve weten dat ze in de finale moeten oppassen als ze in volle vaart door het stadje denderen. De laatste bocht ligt op een goede driehonderd meter van de streep.


Etappe 8

Dénia – Xorret de Catí (165 km)

Rampas inhumanas is een term die bij de Vuelta hoort als een vervallen aflevering van Buren. Sinds de ontdekking van de klim aan het einde van de vorige eeuw, is de Vuelta verzot op dit martelwerktuig. Al dateert het laatste bezoekje al wel weer van 2017, toen Julian Alaphilippe er voor het eerst een rit in een grote ronde wist te winnen.

Hoog tijd dus om de berg weer in het parcours op te nemen. Alleen de kille statistieken zullen al angst inboezemen: we noteren 3,6 km à 11,4 procent, maximaal 22%, met zo’n tweeënhalve kilometer aan zwarte piste. Eenmaal boven gaat het eerst nog twee kilometer in ziedende vaart naar beneden, waarna het in de slotkilometer nog lichtjes oploopt.

En ook daarvoor gaat het eigenlijk al de hele dag op en neer. Vanuit Dénia zijn de eerste twintig kilometer vlak, maar daarna zijn er nog maar twee smaken: klimmen of dalen. De Alto de Vall d’Ebo (7,9 km à 5,7%), de Puerto de Tollos (4,2 km à 5,6%), de Puerto de Benifallim (9,5 km à 4,9%), de Puerto de la Carrasqueta (10,9 km à 4,6%) en nog diverse oplopende stukken zonder dat er punten voor het bergklassement mee zijn te verdienen. Kortom: een loodzware dag!


Etappe 9

Cartagena – Collado de la Cruz de Caravaca (184,5 km)

Het is gevaarlijk om af te gaan op gemiddeldes. Die geven soms nog weleens een vertekend beeld. Dat geldt in zekere zin voor de eerste beklimming van de dag, maar zeker voor de slotklim. Om maar eens te beginnen met de eerste klim, een gemiddeld van 4,9% over een afstand van 11,5 kilometer. Maar op de profielen van de organisatie zijn hele kilometer tussen de zes en negen kilometer te zien, en zelfs stukken van meer dan tien procent.

Maar de Collado de la Cruz de Caravaca maakt het helemaal bont. 8,2 km à 5,5% staat erbij vermeldt. Dat klopt ook wel, maar we zien ook een maximaal stijgingspercentage van 20% in het routeboek staan.

Het venijn van de klim zit ‘m ook nog eens in de staart, want het zijn voornamelijk de laatste drie, drieënhalve kilometer die echt lastig zijn. Afgezien van een klein stukje afdaling op goed anderhalve kilometer van de streep. Kortom: klinkt weer als een heerlijke geitenpaadje uit de hoge hoed van Fernando Escartín.


Etappe 10

Individuele tijdrit Valladolid (25,8 km)

Na een lange verplaatsing kunnen de renners gelukkig een dagje bijkomen in Valladolid. Maar al te veel ontspannen kunnen de renners ook weer niet: de dag na de rustdag staat er immers een tijdrit op het programma.

Het begin van de chronoproef is nog redelijk technisch, en er zit zelfs een klein klimmetje in, maar in de laatste 15 kilometer is het aantal serieuze bochten letterlijk op een hand te tellen. De rit tegen de klok eindigt heel toepasselijk bij een klok. Een fontein die dienstdoet als klok, beter gezegd, op de Plaza de Zorilla.

Voor het klassement kan dit zomaar een allesbepalende dag worden. De gepatenteerde tijdrijders zijn op dit parcours namelijk duidelijk in het voordeel ten opzichte van de mannen die het puur van hun klimvermogen moeten hebben. Schade beperken voor de een, uitpakken voor de ander.


Etappe 11

Lerma – La Laguna Negra (163,2 km)

Een etappe die strijd op twee fronten belooft. Een gevecht tussen vluchters en opnieuw de klassementsmannen. Want dit is weer een typische Vuelta-rit. Vlak, nou ja, relatief dan, met een smerig klimmetje naar de meet als klapstuk. Een mooie plek voor een groep vluchters om een robbertje met elkaar te gaan vechten, en voor een klassementsman die tijd heeft verloren misschien een lekker klimmetje om weer wat secondes terug te pakken.

Mooi verscholen tussen de Picos de Urbion ligt het fraaie Laguna Negra. De klim naar dit bergmeer levert niet alleen mooie plaatjes op, ook pijnlijke benen. Zoals het de Vuelta betaamt is met name het slot van de klim zwaar. De klim tikt volgens het routeboek over 6,5 kilometer een percentage van 6,8% aan, maar de laatste halve kilometer gaat aan dik tien procent gemiddeld. En ook daarvoor gaan we soms dik de dubbele cijfers in. Benieuwd wie hier de opvolger wordt van Dan Martin, in 2020 hier als eerste boven…

Etappe 12

Ólvega – Zaragoza (150,6 km)

Zaragoza, de op vier na grootste stad van Spanje, was in het verleden al heel vaak etappeplaats in de Vuelta, maar de laatste keer dateert alweer van vijftien jaar geleden. De hoofdstad van Aragón heeft heel wat toeristische troeven, maar toch laten toeristen de plaats vaak links liggen. De eerste pakweg vijftien kilometer van de etappe spelen zich overigens af in Castilië en León, maar voor de rest voert de rit in zijn geheel over Aragónese wegen.

Niet dat de landschappen bij de overgang van de ene naar de andere regio ineens drastisch veranderen. Want het landschap tussen het Iberisch Randgebergte en de Pyreneeën, waar het peloton doorheen rijdt, is vrijwel de hele dag hetzelfde: uitgestrekte vlaktes waar de wind vrij spel heeft. En dat is voor de koers van groot belang, want waaiervorming ligt voor de hand in dit gebied.

Zeker als de wind uit het noorden komt, kan dit zomaar een slagveld worden. En in de omgeving van Zaragoza is er heel wat kennis over slagvelden, want de Academia General Militar huist hier. Maar als het peloton hier passeert op een goede tien kilometer van de finish, is de grootste strijd vermoedelijk al gestreden.


Etappe 13

Formigal – Col du Tourmalet (134,7 km)

Wordt de Ronde van Spanje beslist buiten Spanje? Dat zou, met een loodzware bergetappe door de Franse Pyreneeën, best eens kunnen. Zelfs de eerste kilometers, die naar de grensovergang, lopen bergop, al stelt de Puerto de Portalet (4,4 km à 5,4%) nog niet heel veel voor. Deze korte klim en de daaropvolgende lange afdaling is niet meer dan een opmaat voor het echte werk, te beginnen met de Col d’Aubisque. Hoppa, 16,5 kilometer omhoog aan een gemiddelde van 7,1%. Dat lijkt er meer op.

De afdaling via de Col du Soulor brengt de renners aan de voet van de Col de Spandelles. ‘Slechts’ 10,3 kilometer, maar wel aan een hoger gemiddeld stijgingspercentage, 8,3%. En dan moet de mythische Tourmalet nog komen. Deze Tourcol der Tourcols is nu voor het eerst ook een aankomstklim in de Vuelta. 18,9 kilometer klimmen aan een gemiddelde van 7,4%, met de lastigste kilometers als laatste. Niet zo gek dat deze rit wordt bestempeld als etapa reina, de koninginnenrit.


Etappe 14

Sauveterre-de-Béarn – Larra-Belagua (156,2 km)

Voor de tweede dag op rij een etappe met twee beklimmingen van de buitencategorie. En opnieuw een rit die zich voor het grootste gedeelte afspeelt in Frankrijk. De vermoeidheid van de eerste Pyreneeënrit zal ongetwijfeld nog in de benen zitten. Combineer dit met de vermoeidheid van de eerste twee koersweken en het profiel van vandaag en je hebt alles om er opnieuw een slijtageslag van te maken.

Sauveterre-de-Béarn is een van de mooiste plaatsjes in het departement Pyrénées-Atlantiques, maar de renners die werk willen maken van de bergtrui zullen ongetwijfeld staan te trappelen om hier te vertrekken. Geduld moeten ze wel hebben, want het duurt bijna zestig kilometer voordat de eerste klim wordt aangevangen. Maar de Col de Hourcère (11,1 km à 8,7%) is het wachten waard. Dat geldt ook voor de Puerto de Larrau (14,9 km à 8%), die de renners weer op Spaans grondgebied brengt.

Of het de zwaarste klim is in de Pyreneeën moet u vooral zelf bepalen, maar zeker is dat het een van de zwaarste bergen is die je er in die contreien kunt vinden. Enkele vlakkere stukken en korte afdalinkjes maken zelfs dat het gemiddeld stijgingspercentage nog bedriegt. Het is vooral ook de onregelmatigheid van de beklimming die ervoor zorgt dat je er nooit lekker in je ritme kan komen. Bij de passage over de top zit het zwaarste deel van de etappe erop, maar eenvoudig is de finale nu ook weer niet.

De Puerto de Laza (3,4 km à 6,3%) is goed te doen, waarna het nog het nog twintig kilometer is naar de slotklim. 9,5 kilometer à 6,3%, maar ook hier geeft dat niet een heel goed beeld van de beklimming. In de eerste zesenhalve kilometer schurkt het gemiddeld namelijk steeds tegen de acht procent aan. De laatste kilometers, op de Spaans-Franse grens, zullen als vlak aanvoelen. Wat betekent dat het al vroeg in de beklimming los zal moeten barsten om voor grote verschillen te zorgen.


Etappe 15

Pamplona – Lekunberri (158,3 km)

Welkom in het Baskenland voor de laatste rit voor de tweede rustdag. Startplaats van dienst is Pamplona, thuishaven van de Movistar-ploeg. Gezellig even een bakje koffie doen bij de service course even buiten de stad zit er niet in, want net als in 2020 zetten de renners koers richting Lekunberri. Destijds won er met Marc Soler een renner van Movistar, en dat zou de formatie wederom graag zien.

Dan zullen ze wel plaats moeten nemen in de ontsnapping, want deze etappe lijkt gemaakt voor de aanvalslustigen. Voor de klassementsmannen zal dit vermoedelijk een dag van relatieve rust zijn. Want waar de etappe van drie jaar geleden over de zware Alto de San Miguel de Aralar ging, wordt er nu gekozen voor een iets eenvoudigere finale. De Puerto de Zuarrarrate is namelijk slechts 7,3 km à 4,8%. De razendsnelle afdaling brengt de renners naar de finish. Kortom: een parcours voor een groep om er lekker de beuk in te gooien. ¡Aúpa!


Etappe 16

Liencres Playa – Bejes (120,1 km)

Opnieuw een mogelijke dag voor een strijd op twee fronten, tussen vluchters en tussen de klassementsmannen. Wie enkel op de eerste 115 kilometer van de etappe zou afgaan, zou kunnen denken dat het voor de sprinters zou kunnen zijn, maar niets is minder waar. Het lijkt allemaal zo mooi voor ze, want de eerste honderd kilometer trekt de karavaan langs de Cantabrische kust. Natuurlijk loopt het wat op en af, maar dat mag voor de sprinters in vorm toch geen probleem vormen.

Helaas laat de meute de kust achter zich in de slotfase van de vrij korte etappe. En daar doemt, helemaal op het einde van de rit, een flinke muur op, hetgeen de kansen van de snelste mannen ter wereld flink hypothekeert. De klim naar Bejes is te omschrijven als een explosieve tweetrapsraket over goed vijf kilometer in een spectaculair decor.

Het eerste deel is zo’n 1,6 kilometer à 10,1%, dat percentage wordt ook zo’n beetje behaald in het twee kilometer lange tweede deel van de beklimming. Daartussenin zit een stuk van goed 1,5 kilometer waarin het iets vlakker is en waarin de renners dus even kunnen uitpuffen, alvorens ze beginnen aan de slopende laatste hectometers richting de finish.


Etappe 17

Ribadesella – Alto de L’Angliru (124,4 km)

Het Beest van Asturië moet worden getemd in de zeventiende etappe. De klim is zo ontieglijk zwaar dat je bij de eerste twee beklimmingen van de dag denkt: ach, doen we even. Maar ook die klimmetjes zijn niet per se gemakkelijk. De Alto de la Colladiella is al een beproeving van 7,8 km à 7,1%. De Alto del Cordal maakt het nog iets bonter, met een gemiddelde van 9,2% over een afstand van 5,4 kilometer. Echt niet een klim waar je te lichtzinnig over moet denken.

Maar toch, ze valt in het niet vergeleken met het gevreesde geitenpad dat we kennen als de Angliru. Toen David Millar die berg in 2002 op moest, deed hij dat in de stromende regen. Dat bleef niet zonder gevolgen. Hij viel meerdere malen en de Brit was lang niet de enige die voet aan de grond moest zetten. Millar werd zo kwaad dat hij besloot om één meter voor de finish uit protest zijn rugnummer los te trekken.

In 2017 was de berg de plek van het laatste kunstje van Alberto Contador. Voor het laatst fladderde hij er van alles en iedereen weg. Nu ja, fladderen, hij kroop een stuk sneller omhoog dan de rest, laten we het daarop houden. Het record op de klim is nog altijd in handen van Roberto Heras, die op raketvloeistof 41 minuten en 55 seconden nodig had voor de monsterklim.

De renners stijgen over een afstand van 12,5 kilometer van 340 naar 1575 meter. Tijdens het eerste gedeelte gaat het met stijgingspercentages van maximaal 11,2% procent al behoorlijk omhoog. In de laatste zes kilometer wordt het buitengewoon zwaar. Het zwaarste stuk is bij Cueña las Cabres, waar het stijgingspercentage oploopt tot een duizelingwekkende 23,5%. Hierna is het nog enkele kilometers tot de top, waarna in de slotfase een korte afdaling richting de finishlijn voert. Wie laat op deze rampas inhumanas iedereen zijn hielen zien?


Etappe 18

Pola de Allande – La Cruz de Linares (178,9 km)

Stramme poten zullen de renners hebben na de bestorming van de Angliru. Maar ze zullen toch echt nog een paar dagen door moeten om de Vuelta te voltooien. Te beginnen met de achttiende etappe, ook geen makkelijke rit. Integendeel. Drie keer eerste categorie, aangevuld met een klim van de tweede en een van de derde categorie, uitgesmeerd over een afstand van net geen 180 kilometer. Ga er maar aanstaan.

Halverwege de etappe bereikt de karavaan de top van de Puerto de San Lorenzo (9,9 km à 8,6%). Vanaf deze klim rijden de renners zo snel mogelijk richting Oviedo, om vlak voor de hoofdstad van Asturië weer rechtsomkeert te maken. De finale bestaat namelijk uit een dubbele beklimming van de Puerto de la Cruz de Linares.

Van hooggebergte kun je amper spreken met een aankomst op nog geen 850 meter boven zeeniveau, maar de klim zal desalniettemin flink zeer doen. Al is het maar omdat het de laatste echt serieuze klim is van de ronde. 8,3 kilometer klimmen aan een gemiddelde van 8,6%, met diverse stukken in de dubbele cijfers. De kans is groot dat we op de top de winnaar van de Vuelta kennen.


Etappe 19

La Bañeza – Íscar (177,1 km)

Een rit met minder dan duizend hoogtemeters in de Ronde van Spanje? Een zeldzaamheid, maar dit is er toch weer een. Het is een echte overbruggingsrit, want de coureurs rijden eigenlijk gewoon bijna 180 kilometer naar het zuidoosten. Het traject op de Spaanse hoogvlakte is niet meteen inspirerend te noemen. Denk aan eindeloze dorre vlaktes, dorre vlaktes en nog eens dorre vlaktes. Slaapverwekkend dus.

Tenzij het waait, natuurlijk. Want wie zich hier in slaap laat sussen, kan zomaar eens voor een lelijke verrassing komen te staan. Benieuwd ook of een stel vluchters het in deze omgeving aandurft om op avontuur te gaan. Zeker zo laat in de Vuelta willen er nog weleens een hoop sprinters al naar huis zijn, waardoor een legertje dapperen hier zomaar de ploegen die nog wel willen rijden in het peloton kunnen foppen.


Etappe 20

Manzanares El Real – Guadarrama (207,8 km)

Riepen we dat de Vuelta al beslist is? Toch eerst maar deze rit zien te overleven. Want de Sierra de Guadarrama mag dan geen grote puertos meer in petto hebben, het parcours is allesbehalve eenvoudig. Sterker nog: dit is de rit met de meeste hoogtemeters van de hele ronde. 4431 als we VeloViewer mogen geloven, met dank aan liefst tien beklimmingen van derde categorie.

Via de Colla del Portazgo en de Puerto de la Cruz Verde komen we uit op een rondje, dat de renners twee keer in z’n geheel moeten afleggen. La Escondida (9,1 km à 4,1%), de Alto de Santa María de la Alameda (5 km à 5,6%) en de Alto de Robledondo (5,1 km à 4,8%) volgen elkaar in rap tempo op. Daarna wordt de Puerto de la Cruz Verde van de oostzijde beklommen (goed voor 7,2 km klimvertier aan 3,9%), om vervolgens in een keer door te steken naar San Lorenzo de el Escoríal.

Op de flanken van de gelijknamige klim (4,6 km à 6,6%) kun je je vergapen aan het gigantische, enorm imposante abdijcomplex van Filips II van Spanje. De renners vooraan in de wedstrijd zullen daar vermoedelijk minder oog voor hebben. Het is immers de laatste echte inspanning van deze Vuelta. Mocht het nog spannend zijn, en er is iemand met een iets mindere dag, dan kan het hanteren van de sloophamer zeker nog wel wat uitrichten. Bijna drie weken koers hakken er flink in, dus het zou maar zo kunnen dat er nog iemand door het ijs zakt.


Etappe 21

Hipódromo de la Zarzuela – Madrid (101,1 km)

Op de slotdag van de Vuelta a España is er voor de renners tijd om even bij te praten met collega’s, aangezien de organisatie ook dit jaar weer heeft gekozen voor een korte en vlakke slotetappe naar hoofdstad Madrid. Het scenario van de dag laat zich voorspellen. De eindwinnaar van de Vuelta neemt de felicitaties van gans het peloton in handen en een paar geinjakkers halen wat dolle fratsen uit. Schuddebuiken maar!

Iets leuker wordt het als we in de Spaanse hoofdstad aankomen. Het 5,8 kilometer lange circuit voert ook dit jaar over de Paseo del Prado, Paseo de Recoletos, Calle de Alcalá en de Gran Via naar de finish bij de Plaza de Cibeles. De kans is groot dat we hier andermaal een massasprint gaan zien. In het recente verleden zagen we Juan Sebastian Molano (2022), Pascal Ackermann (2020), Fabio Jakobsen (2019), Elia Viviani (2018), Matteo Trentin (2017), Magnus Cort (2016), John Degenkolb (2015, 2012), Michael Matthews (2013) en Peter Sagan (2011) er zegevieren.

RIDE Magazine

Om te reageren moet je ingelogd zijn.