Honger van Tadej Pogačar en Mathieu Van der Poel is nog lang niet gestild
Raymond Kerckhoffs
zondag 8 maart 2026 om 18:11

Honger van Tadej Pogačar en Mathieu Van der Poel is nog lang niet gestild

Opinie Wederom liet hij op de Monte Sante Marie een wolk van stof achter zich, waarin zijn tegenstanders het zicht op hem verloren. In de Strade Bianche, zijn openingswedstrijd van het jaar, trok Tadej Pogacar de lijn van het vorige seizoen moeiteloos door. De wereldkampioen is zo sterk dat hij de laatste jaren de scherprechter van iedere klassieker aangrijpt om zijn aanval te ontbolsteren. Hoe ver het obstakel van de finish ligt, lijkt hem nauwelijks te deren.

Iedereen wist het. De 11,5 kilometer lange sterrata, de befaamde witte grindweg van Monte Sante Marie, zou opnieuw het speelterrein van Pogacar worden om zijn tegenstanders te testen. Bij zijn drie eerdere zeges in de Strade Bianche had hij deze langste, zwaarste, meest technische en meest iconische strook van de Toscaanse klassieker al gebruikt als lanceerplatform voor zijn aanval.

De naam Monte Sante Marie verwijst naar een middeleeuws landgoed dat verbonden was met religieuze bezittingen, waarvan Italië er zoveel kent. Vermoedelijk stond hier ooit een boerderij die onder de bescherming van Maria viel. De weg slingert over kale, golvende heuvels van klei en kalk, waar los grind het asfalt vervangt en stof bijna altijd in de lucht hangt. Al eeuwenlang gebruiken de lokale bewoners deze route als verbinding tussen boerderijen en landbouwgrond. In vroegere tijden was het ook de weg naar de markt van Siena, waar boeren hun oogst verkochten.

Voor Pogacar is deze strook inmiddels al vier keer de vluchtweg naar de zege in het cultuur doordrenkte Siena geworden. Zijn liefde voor deze grindweg ontstond al als neoprof, toen hij op negentienjarige leeftijd voor het eerst de klassieker rond Siena reed. Kopman Rui Costa reed daar zeven jaar geleden lek en de jonge debutant moest zijn wiel afstaan. Minutenlang stond hij langs de kant te wachten op een nieuwe fiets. Toen hij eindelijk weer in het zadel zat, begon hij aan een lange inhaalrace, waarin hij renner na renner oppikte. Die raid bezorgde hem zoveel vreugde dat hij toen al zei dat hij ooit zou terugkeren om deze wedstrijd te winnen.

Foto: Fotoburo Cor Vos

Bij Pogacars eerste overwinning in 2022 lag Monte Sante Marie nog op zo’n vijftig kilometer van de finish. In 2024 viel hij er al aan op 81 kilometer van de streep. In 2025 gebeurde het op ongeveer veertig kilometer van Siena, waarna hij zijn medevluchter Tom Pidcock pas op 18,5 kilometer van de finish op de Strade di Colle Pinzuto kon lossen. Dit keer ging hij opnieuw op zo’n tachtig kilometer van de meet, al was er geen expliciet plan om daar al iedereen achter zich te laten. Alleen bij zijn eerste overwinning had hij vooraf uitgesproken dat hij op de Sante Marie wilde aanvallen.

Aanvankelijk zat Tom Pidcock nog in zijn wiel, maar de Brit moest afhaken toen zijn ketting van het blad liep. Vervolgens waren het de negentienjarige revelatie Paul Seixas en ploeggenoot Isaac Del Toro die de Sloveen het langst konden volgen. Vooral het optreden van de piepjonge Seixas voedt de hoop dat de Fransman in de komende jaren misschien wel de kloof met Pogacar kan verkleinen.

Voorlopig leven we echter nog altijd in het tijdperk-Pogacar. De ontembare wilskracht waarmee hij zijn tegenstanders murw slaat, grenst aan het ongelooflijke. Denk aan hoe hij vorig jaar in Rwanda voor de tweede keer wereldkampioen op de weg werd door al op ruim honderd kilometer van de finish aan te vallen. Of aan zijn solotochten van dertig kilometer in Luik–Bastenaken–Luik en vierendertig kilometer in Il Lombardia. Op weg naar zijn vierde Tour de France-zege droeg hij bovendien veertien dagen lang de gele trui. Zijn dominantie heeft steeds vaker iets maniakaals.

Slechts enkelen konden hem vorig jaar op bepaalde dagen weerwerk bieden: Mathieu van der Poel in Milaan–San Remo, de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix en in de Tourrit naar Boulogne-sur-Mer; Remco Evenepoel in de tijdritten; en Wout van Aert op Montmartre in Parijs.

Tadej Pogačar lost Paul Seixas. Foto: Fotoburo Cor Vos

Voor de liefhebbers van het wielrennen hebben Pogacars pedaalomwentelingen iets magistraals. Het publiek dat van sport naar sport zapt, haakt echter sneller af, simpelweg omdat de spanningsboog ontbreekt en topsport het mooist is wanneer er sprake is van onvoorspelbaarheid.

Natuurlijk komt aan ieder tijdperk van grote kampioenen ooit een einde, soms eerder dan verwacht. Maar eerlijk gezegd zie ik dat in 2026 bij Pogacar nog niet gebeuren. Daarvoor is hij momenteel te oppermachtig. Met zijn 27 jaar is hij nog jong, en zijn honger lijkt allerminst gestild.

Dat bleek al afgelopen winter, toen hij week na week Strava-records verbeterde. Op 19 december zette hij bijvoorbeeld een nieuwe toptijd neer op de roemruchte Coll de Rates, op een steenworp van Calpe. Hij was liefst 24 seconden sneller dan zijn vorige record — tijdens een trainingsrit die hij de naam gaf: ‘Merry Christmas and Happy New Year’. Het is maar dat u het weet.

Stiekem kijken we nu al uit naar de confrontaties dit voorjaar tussen Tadej Pogacar en Mathieu van der Poel, die vorige week na een lange aanval de Omloop Het Nieuwsblad won. Beiden begonnen hun seizoen dus meteen met een indrukwekkende overwinning. En ook bij Van der Poel lijkt de honger nog lang niet gestild. Na het WK veldrijden in Hulst blikte de kopman van Alpecin-Deceuninck al vooruit naar het voorjaar van 2027. Waar zou hij staan als hij eens een hele winter gericht naar de voorjaarsklassiekers kon toewerken, vroeg hij zich hardop af.

Na twee voorjaarsklassiekers is opnieuw duidelijk wie de heersers zijn. Maar minstens zo duidelijk is dat deze twee grootheden nog lang niet zijn uitgeschoten.

Om te reageren moet je ingelogd zijn.