Tadej Pogacar benadrukt dat parcours Strade Bianche eigenlijk anders moet
Interview Het Piazza del Campo in Siena is voor Tadej Pogačar inmiddels vertrouwd terrein. Voor de vierde keer eindigde hij zijn Strade Bianche zegevierend op het beroemde schelpvormige plein. Ditmaal na een solo van tachtig kilometer, een demonstratie van overmacht die inmiddels bijna een handelsmerk is geworden.
Na de finish maakte de kopman van UAE Emirates XRG een diepe buiging naar het publiek, alsof hij een voorstelling had afgesloten. En ergens leek dat ook zo: een hoofdrolspeler die het podium verlaat na een indrukwekkend optreden.
Anderhalf uur later verschijnt Pogačar in de perszaal in het hart van Siena. Met zijn blond geverfde haar en ontspannen glimlach. Om hem er te krijgen moeten beveiligers hem eerst over het Piazza del Campo begeleiden om opdringerige fans op afstand te houden. Het zegt iets over zijn status. Wielrennen heeft zelden een renner gehad die zo dominant én zo populair is.
Toch plaatste de Sloveen na afloop een opvallende kanttekening bij de koers die hij zojuist opnieuw had gewonnen.
Wat vind je eigenlijk van die langeafstandaanvallen?
“Ik ben er eigenlijk geen liefhebber van. Het komt vooral door de manier waarop ze het parcours ontwerpen. Ze voegen simpelweg dertig kilometer extra toe aan het einde, wat eigenlijk weinig toevoegt wanneer je het zwaarste en mooiste deel van de wedstrijd al hebt gehad.

Foto: Fotoburo Cor Vos
Vroeger was het bijvoorbeeld na Monte Sante Marie nog vijftig kilometer tot de finish, nu is dat tachtig kilometer. Daarom zie je die lange aanvallen: het zwaarste deel van de wedstrijd ligt daar.”
Denk je dat het parcours weer veranderd zal worden? Praten jullie renners daarover of klagen jullie erover?
“Ik weet het niet. We kunnen natuurlijk zoveel klagen als we willen, maar uiteindelijk is het niet aan ons om het parcours te bepalen. Het blijven prachtige wedstrijden. Als de organisatoren het zo willen dat er vanaf tachtig kilometer voor het einde alleen nog maar kleine groepjes overblijven en bijna iedereen de laatste twee uur alleen rijdt, dan is dat ook prima. We kunnen niet te veel klagen – zeker niet als we winnen.”
Dit is de tweede keer dat je Strade Bianche rijdt als eerste koers van het seizoen. De andere keren reed je eerder al wedstrijden in Europa. Is het anders als eerste koers van het seizoen?
“Ja, het is een beetje anders. Het is de eerste wedstrijd en je komt weer een beetje in onbekend terrein. Je werkt de hele winter keihard; dat is elk jaar hetzelfde. Maar die eerste wedstrijd maakt je altijd een beetje nerveus. Dat was dit jaar ook zo. Het was een supermooi gevoel om eindelijk het seizoen weer te beginnen en Strade Bianche meteen als eerste koers te rijden.”
Was er een moment waarop je dacht dat Paul Seixas in je wiel zou blijven?
“Ja, op een bepaald moment keek ik achterom, na het eerste steile stuk op Monte Sante Marie. Ik kan niet zeggen dat het daarna vlak was – dat is het eigenlijk nooit – maar het was wel een moment om even adem te halen. Ik keek achterom en Paul reed op een kleine achterstand.
Toen dacht ik: tot aan de top van het laatste steile stuk moet ik echt alles geven en proberen het gat groter te maken. Gelukkig lukte dat. Anders had hij in mijn wiel gezeten en waren we samen verder gegaan. Ik ben blij met hoe het is gegaan.”
Je reed bijna twee uur alleen in de aanval. Waar denk je tijdens zo’n solo dan aan? Blijf je alleen focussen op de weg of dwalen je gedachten soms af?
“Toen ik aanviel, dacht ik dat die nieuwe jongen (Paul Seixas, red.) echt goed was en dat het beter zou zijn om het gat zo snel mogelijk groter te maken.
Daarna wist ik niet precies hoe groot de voorsprong was en vroeg ik me voortdurend af hoeveel tijd ik had. Ik wist ook niet waar mijn ploegmaat Isaac Del Toro zat. Toen ik die informatie kreeg, begon ik meer na te denken over de kilometers die nog zouden komen. Ik genoot ook van het publiek en probeerde mijn inspanning goed te verdelen, terwijl ik bleef eten en drinken.”

Foto: Fotoburo Cor Vos
Is er één overwinning van de vier die je het liefst hebt?
“Ik denk het niet. Ze zijn allemaal uniek op hun eigen manier. Maar ik ben trots en blij met alle vier.”
Je hebt al vaak gezegd dat Milaan–San Remo de moeilijkste koers voor jou is om te winnen. Ligt dat alleen aan het parcours of zijn er nog andere redenen?
“Milaan–San Remo is heel anders dan bijvoorbeeld Strade Bianche of de Ronde van Vlaanderen. Totdat je aan de kust komt, is het geen extreem zware wedstrijd. Maar zodra je daar bent, wordt het nerveus. Er zijn veel dorpen, veel links-rechtsbochten, het gaat voortdurend op en neer, en de snelheden zijn ongelooflijk hoog.
In de finale zie je de klassiekerspecialisten en sprinters van voren. Dat betekent ook dat de snelheid op het vlakke nog hoger ligt. Op een bepaalde manier is het ook een beetje een enge koers door de enorme nervositeit, vooral richting de Cipressa of wanneer je door sommige steden rijdt.
Op de Cipressa moet je niet voor honderd procent zijn, maar voor honderdtien. Richting die klim draait alles om positionering. Op de Poggio moet je vervolgens nog beter gepositioneerd zitten. De beklimmingen gaan ongelooflijk snel; we rijden daar soms met veertig kilometer per uur omhoog. Het is moeilijk om daar echt het verschil te maken.
Het gaat bovendien niet alleen om de klim van de Poggio. Je moet ook rekening houden met de afdaling, en daarna is het nog maar een paar kilometer tot aan de finish. Het is een heel bijzondere koers. Op een bepaalde manier is het een prachtige klassieker en ook een heel interessante wedstrijd om te rijden.”
Om te reageren moet je ingelogd zijn.