Giro d’Italia Women 2026 – Het parcours: Colle delle Finestre blikvanger, drie sleuteletappes
Na drie weken mannengiro, dient het hoofdgerecht zich eindelijk aan: de vrouwengiro! Op een compleet nieuwe plaats op de wielerkalender zullen de meeste wereldtoppers van het internationale vrouwenpeloton zich willen laten gelden op de Italiaanse wegen. Alleen: welke wegen? In dit artikel neemt WielerFlits alle etappes onder de loep!
Giro d'Italia Women
1 klimtijdrit. 2 loodzware bergetappes. 3, misschien wel 4 uitgelezen kansen voor de sprintsters. 9 ritten. Ten minste 750 kilometer aan verplaatsingen tussen de etappes. 1177 kilometer koers. 12400 hoogtemeters. Alleen al deze droge statistieken doen ons uitkijken naar de Giro d’Italia Women, die zich dit jaar in haar geheel zal voltrekken in het noorden van Italië.


Startplaats Cesenatico is, zoals u ongetwijfeld weet, Pantani-land. Maar van beklimmingen zijn in deze openingsetappe beslist geen sprake. Het hoogste punt van de rit ligt op een goede 22 meter en 31 centimeter boven zeeniveau. Desalniettemin is het direct zaak om goed bij de les te zijn. Vraag Annemiek van Vleuten maar eens hoe ze in 2017 ietsje noordelijker in de Po-delta de Giro verloor. Niks rustig achterin het peloton een beetje kletsen, wie de Giro wil winnen, moet erbij zijn als het scheurt.
Als het scheurt. Want dat hoeft natuurlijk niet. Natuurlijk zijn de wegen zo goed als de hele dag open, maar het is nog altijd afhankelijk van hoe de wind staat of er ook een kans is op waaiervorming. En van de rensters zelf, uiteraard.
De eerste 85 kilometer gaat het globaal in noordwestelijke richting, om daarna goed 25 kilometer naar het noordoosten te trekken. Even na de tussensprint in Alfonsine, gaat het in zuidelijke richting naar het circuit in Ravenna voor de laatste vijftig kilometer. In deze zeer bezienswaardige stad ligt een omloop van zo’n 13,1 kilometer op de rensters te wachten. De finish ligt niet op het mooiste plekje van de stad, maar dat zou ook al te link worden. Ingeklemd tussen het treinstation en het water ligt een stuk wegdek te smachten om een royale sprint. Als op 2,2 kilometer (u-bocht) en op 400 meter van de finish (links-rechts-combinatie) alles goed gaat, zal die royale sprint er normaliter ook wel komen.


“Door fietsen leer je de contouren van een land het beste kennen, omdat je de heuvels op moet zweten en daarna naar beneden moet glijden. Zo herinner je je ze zoals ze echt zijn, terwijl je in een auto alleen onder de indruk raakt van een écht hoge heuvel.” Was getekend, Ernest Hemingway, schrijver, macho-mythe en bovenal wielerliefhebber.
Na een verplaatsing van circa tweeënhalf uur, pikt de Giro de draad weer op even boven Venetië. In Roncade, een bescheiden nederzetting met een niet bescheiden kasteelcomplex, vertrekt het peloton voor opnieuw een geheel vlakke dag. Hoewel… De befaamde Muro di Ca’ del Poggio (1100 meter à 12,3%) doemt op op negentig kilometer van de finish. Dit is toch een flinke beuker van een beklimming, maar aangezien de finish aan de Adriatische kust moet plaatsvinden, blijft het bij die ene benenbreker. Geen probleem voor Hemingway, helemaal geen probleem voor de topatleten van deze Giro.
Caorle, aan het einde van de landmassa, vormde voor Hemingway een inspiratiebron voor ‘Across the River and into the Trees’. Natuurlijk voel je de aanwezigheid van Hemingway nog altijd in de finishplaats (dat levert immers een mooie bak geld op), maar vergeet toch ook de verdere highlights van het stadje niet, zoals de kathedraal, het Santuario della Madonna dell’Angelo en het ellenlange zandstrand. De sprint vindt dan weer plaats bij een waterpark. Benieuwd wat Hemingway van die glijbanengekte zou vinden…


Bij Bibione laat de wielerliefhebber al snel de gedachten afdwalen naar de krullenbol Franco Pellizotti, tegenwoordig toch vooral vader van Italiaanse wielerhoop Giorgia. Maar voor deze juniore komt deze Giro nog te vroeg. Het is opnieuw geen aartsmoeilijke dag, al wordt de Giro wel elke dag een stukje lastiger. Zo ook op de derde dag. Met de Moruzzo (800 meter à 7%) en de Montenars (1,9 km à 9,1%) liggen er namelijk twee klimmetjes op de rensters te wachten.
Deze laatste klim ligt op het afsluitende finishrondje van 43,5 kilometer. Daarop liggen overigens nog wat bonushupsjes, waarvan de laatste twee de moeite waard zijn om uit te lichten. Hupsje numero uno is een fraaie 840 meter klimmen à 6,2% in Gemona del Friuli. Het laatste begint op het punt waar de auto’s van het parcours worden afgeleid, want dat is namelijk de laatste 320 meter van de etappe.
Een sprint is nog altijd zeer waarschijnlijk op dit traject, maar het wordt net even een wat andere sprint dan de voorbije dagen. In die laatste 320 meter moet er namelijk nog 18 meter hoogteverschil worden overwonnen, goed voor een gemiddeld 5,6%. Al is de kans dat Lorena Wiebes bij het lezen van deze zin denkt: “Lekker Buja allemaal, ik win hier toch wel.” En die kans kan ze maar beter grijpen ook…

Want Lorena Wiebes kan veel, maar dit zal niets voor haar zijn. Het is namelijk voor het eerst echt erop of eronder. De rensters krijgen namelijk een klimtijdrit voorgeschoteld van 12 kilometer en 700 meter. Het is een kopie van een ooit door Alberto Contador gewonnen etappe uit 2011, al werd die hem later weer afgenomen. Wie deze chronoproef nog helder voor de geest heeft staan, weet dat die begon met een… afzink.
Vanuit het bruisend hart van Belluno moet je namelijk eerst dalen om na anderhalve kilometer via de Ponte della Vittoria de Piave over te kunnen steken. Vanaf dan gaat het alleen nog maar omhoog, al valt dat tot aan de enige tijdsmeting onderweg ook prima mee. Na 5,3 kilometer gaat het echter ook goed los, met vier kilometer die aan 10,4% gemiddeld lopen.
Als we vanaf de brug over de rivier rekenen, komen we op 11 kilometer klimmen. Een gemiddelde van 6,4% zorgt voor 700 hoogtemeters. Waar het verder nog voor zorgt? Normaliter de eerste echt serieuze verschillen in het klassement.

En voor de vijfde dag op rij wordt het weer pittiger. En hoe. Net als in de bergrit, loopt het opnieuw de hele tijd op en af. Maar nu geldt dat voor een rit over 146 kilometer, met daarin vier vier fikse beklimmingen die moeten worden overwonnen.
De eerste van twee grote bergritten begint pas echt in het olympische Cortina d’Ampezzo. Daar doemt namelijk de Passo Tre Croci (7,9 km à 7,2%) op. Na een lange tocht door Val d’Ansiei wacht de Passo di Sant’Antonio (8,3 km à 7,5%). En dan moeten we twee beklimmingen van de Costa da San Nicòlo (3,9 km à 9%) nog volgen, een klim met acht haarspeldbochten. Ongetwijfeld een mooi beeld vanuit de helikopter.
De top van de laatste klim ligt op 16,4 km van de finish. De laatste afdaling begint echter pas op 10 kilometer van de meet. Na 5,5 kilometer aan zeer hoge snelheid, is het daarna enkel nog zaak om de 4,5 kilometer naar Santo Stefano di Cadore te overbruggen. Licht omlaag, door de vallei. Heerlijk dus. Maar dat mag dan ook wel, na een rit met 3333 hoogtemeters. De aankomst naast de parochiekerk betekent voor velen een verlossing na een flinke lijdensweg. Misschien nog even naar binnen gaan en een schietgebedje doen voor de daaropvolgende dagen?


Want juist voor de vrouwen die het meest hebben geleden, liggen er weer kansen in rit zes en zeven. Te beginnen met rit zes. Hoewel je rondom het Gardameer ook enorme bergetappes zou kunnen rijden, kiest de Giro-organisatie er niet voor om de Monte Baldo of de Punta Veleno in het parcours op te nemen. Nee, het gaat gewoon de hele tijd langs de oevers van het immens populaire meer. Een prachtige eerste helft van het parcours dus, met passages door leuke plaatsjes als Torbole, Bardolino en Lazise. Floortje Mackaij zal balen dat ze de Giro niet rijdt…
Zodra de rensters het meer achter zich laten, wordt het zo nodig nog vlakker. Zuidwaarts, almaar zuidwaarts, tot de rensters de Po oversteken. Dan komen ze namelijk aan in Brescello, de finishplaats. Voor de cinefielen onder ons: het is de stad waar de films van Don Camillo en Peppone zijn opgenomen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat op de Piazza Matteotti in het centrum, naast de fraaie Santa Maria Nascente, ook een standbeeld staat van deze beide heren. Aan de ene kant staat de priester te zwaaien naar Peppone, die zijn hoed afneemt.
Waar wij onze hoed niet voor afnemen, is de linke finale. Het is te begrijpen dat het stadsbestuur graag ziet dat de finish op het centrale plein plaatsvindt, maar of dat nu zo had gemoeten? Op 1300 meter dendert de meute in een bocht naar rechts over een rotonde het stadje in, krap honderd meter verder volgt een bocht van negentig graden. In de laatste 800 meter volgen nog vijf bochten. De laatste is een links-rechts-combinatie op circa 250 meter van de finish. Het lijkt wat veel van het goede.


Wie de Po-vlakte zat is, slaat deze dag maar beter voor het overgrote deel over. Want het grootste deel van de etappe vindt op volledig vlakke wegen in de buurt van de rivier. De eerste honderd kilometer kun je, in plaats van zoeken naar hoogtemeters, beter een speld in een willekeurige hooiberg gooien om daar eens lekker naar te gaan zoeken. Vanuit Sorbolo Mezzani moeten de rensters zo’n 120 kilometer gewoon proberen om zo efficiënt mogelijk te koersen. Als er tenminste geen straffe bries staat op het Italiaanse platteland.
Onderweg passeren de rensters onder meer het imposante paleis van Colorno, dat zich graag laat vergelijken met Versailles, en Piacenza. Na 120 kilometer wordt er toch nog wat klimwerk opgezocht. Allereerst gaat het richting de tussensprint in Zavattarelloal 2,5 km à 5,5% omhoog. Na zo’n 2,5 vlakke kilometers, volgt ook nog de klim naar Pietragavina (4,4 km à 4,7%), de enige klim waar het erom gaat voor het bergklassement.
Zal dit een sprint kunnen voorkomen? Dat is maar zeer de vraag. Want als ze in het peloton besluiten dat ze willen sprinten, is het parcours beslist niet zwaar genoeg om alles en iedereen eraf te krijgen. Zeker omdat de laatste 27 kilometer ook nog in dalende lijn gaan. Toch hoeft het in Salice Terme niet per se een sprint te worden, want dit zou ook bij uitstek een mooie etappe voor de vluchters kunnen zijn. Zeker met het oog op wat er op de voorlaatste dag op het programma staat, zouden de klassementsvrouwen weleens kunnen besluiten om een snipperdag te nemen. En er zullen ongetwijfeld een hoop rensters zijn die dat niet erg vinden. Dit kan immers hun grote kans zijn.


Even buiten Turijn begint de etappe waar iedereen reikhalzend naar uit heeft gekeken. Het is de kortste etappe van allemaal, maar dat doet niets af aan de inspanning die de rensters zullen moeten gaan leveren. Als de kilometertellertjes op 58,8 staan beginnen ze namelijk aan de Colle delle Finestre. 18,5 kilometer aan klimplezier aan een gemiddelde van 9,2%. En dan ook nog eens de laatste acht kilometer over een hobbelweg vol steentjes.
Het is niet de meest praktische manier om in Sestrière te geraken, maar vermoedelijk wel de mooiste. En wat is er al een historie op geschreven. Denk aan die eerste keer, toen de kleine koffieplanter José Rujano de Giro nog bijna naar zich toe wist te trekken. Denk aan Froome, die op de klim zijn duivels ontbond, om tachtig kilometer verderop de Giro op zijn naam te schrijven. En denk aan vorig jaar, waar ‘derde hond’ Simon Yates optimaal profiteerde van het geharrewar. Mede met dank aan een weergaloze Wout van Aert won de intussen gestopte Brit de Giro, waar die ‘m eerder verloor.
Maar het draait niet enkel om die klim. Na de mythische klauterpartij wacht immers nog een afdaling. Die van Il Falco en die van ‘oude oma’ Reichenbach. Om uiteindelijk aan te komen in Sestrière, waar toch ook al legendarische dingen zijn gebeurd. De Giro-directie spreekt van een klim van 16,2 kilometer aan een gemiddelde van 3,8%. Een plaats waar ook vrouwen al historie hebben geschreven. Zo noteren we Fabiana Luperini die hier in 1997 ooit een van haar vele Touretappes won.
En we herinneren ons toch vooral de bloedstollende ontknoping van de Grande Boucle Féminine Internationale van 2008, waarin Karin Thürig na een etappe met de Izoard en Montgenèvrepas in de laatste honderden meters haar tourzege door de vingers zag glippen. Onder de vod van de laatste kilometers keerde ze na een verwoestende achtervolging bij Christiane Soeder terug. Een ultieme poging van de Oostenrijkse zorgt er echter voor dat ze het klassement nog helemaal om weet te buigen. In plaats van om en nabij een halve minuut achterstand, zou Soeder met 12 seconden voorsprong het eindklassement op haar naam schrijven.
Kortom: Sestrière, dat belooft wat. Het is de rit waarin het klassement vermoedelijk beslist zal worden. En wie weet kan ook deze etappe zo in de eregalerij der mooie wielerkoersen.


Nog eentje dan? Nog eentje dan. Het is een etappe die zich mogelijkerwijs leent voor een ultieme aanval, maar het kan er ook één zijn die als een nachtkaars uit zal gaan. De Montoso (circa 9 km à 9.4%) is de laatste grote klim van de Giro. Op de top van deze klim is het nog negentig kilometer naar de start- en finishplaats Saluzzo. Te ver? Allicht, maar katten in het nauw kunnen soms rare sprongen maken. Het is wel het terrein voor een alles-of-niets-poging, zeker met die daaropvolgende technische afdaling.
Gemakkelijk is het ook na die afzink niet, maar het parcours wordt wel een flink stuk milder. Colletta di Paesana (4,6 km à 5%) en de Colletta di Brondello (7,1 km à 6,2%) zijn beduidend minder lastig. Wat een wanhoopsdaad ook in de weg zou kunnen zitten: op de top van die laatste beklimming is het nog bijna veertig kilometer tot de finish. Je zou op het eerste oog zeggen: genoeg ruimte voor geloste renster om nog terug te keren. Of wordt hier, à la de Tour de France Femmes van 2025, juist op dit gemakkelijkere stuk iemand volledig in het pak gestoken? Het zou allemaal zomaar kunnen.



Om te reageren moet je ingelogd zijn.